is toegevoegd aan uw favorieten.

Niemands lieveling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

kraaien krasten en uit wier stammen grijze korstmossen hingen. Aan den eenen kant van het huis, van den tuin gescheiden door een stroomend water, waarover een landelijke brug lag, was een grazige boomgaard, die er verwaarloosd uitzag, evenals de rest, maar een overvloed van rijpend ooft bevatte. De tuin, die blijkbaar eenmaal een liefelijke plek was, zag er nu uit als een wildernis van weelderig groeiende gewassen.

Op de kinderen, die aan de stad gewoon waren, maakte het geheel echter een bekoorlijken indruk en voor een poos vergaten ze hun honger en vermoeidheid en gaven aan hun verrukking lucht door allerlei uitroepen van vreugde.

Maar zij hadden de poort bereikt en sloegen nu de breede schaduwrijke laan in, terwijl de kraaien luid boven hun hoofden krasten, als wilden ze verzet aanteekenen tegen den inval op hun tot heden zoo rustig domein.

Tom sprong van het rijtuig en hielp Althéa uitstijgen, toen de zware deur openging en een bejaarde vrouw met een vriendelijk gezicht en een welvarend uiterlijk, hen met een hartelijk woord welkom heette en verzocht binnen te komen.

„Hier zijn we, Pheby," riep Tom; „ik hoop, dat je alles nog klaar hebt kunnen krijgen, want ze zijn vreeselijk moe en hebben honger als wolven. Denk eens aan; niets gegeten sedert van morgen."

„Wat u zegt, mijnheer Tom. Nu, ik heb gedaan, wat ik kon. Wees welkom, Mijnheer," en ze vatte Charley's hand, terwijl de tranen haar in de oogen kwamen, „u bent het evenbeeld van mijn waarden jongen meester, die het oude huis reeds zoo lang heeft verlaten, 't Spijt me, dat ik het