Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

EERSTE HOOFDSTUK.

volgend station moet zy afstappen om het landetijke pension te gaan opzoeken, waar zij een paar weken wil vertoeven om schetsen en studies van de omgeving te maken.

„Neen, het is niet ver," denkt zij, als zij aan het kleine station is afgestapt, en behaaglijk de reine lucht opsnuift; „ik zal het wel kunnen vinden al dat moois," en kykt dan onderzoekend rond. 't Is stil op het zonnige perron, alleen een boerenvrouw stapte met haar uit den trein.

Op den witten zandweg, die achter het station omloopt, en zeker naar het dorp leidt, staat een oud tentwagentje, met zeilen, die in den wind flapperen, te wachten. Het oude, magere paard, dat het moet trekken, is ongeduldig, de vliegen maken het hem zoo lastig.

„Bent u juffrouw Van Doorne, die in pension Veldzicht verwacht wordt?" vraagt een, zoo'n beetje als koetsier gekleede jonge man, aan zün pet tikkend en op haar bevestigend antwoordt „Geeft u mij het recutje van uw koffer dan maar en stapt u dan maar in; ik ben hier met het wagentje om u te halen."

„Ja, dat is best, maar zeg eens even, dat baanwachtershuisje aan de brug, is dat hier ver vandaan? Kan je er naar toe loopen?" vraagt zij haastig, nog geheel vervuld van haar ééne gedachte.

De man meesmuilt, hij vindt haar wel wat wondertijk!

„Ja, dat kan wel, maar wilt u er nu dadelijk heen, juffrouw?'*

„Neen, niet dadelijk. Ik wilde alleen maar weten of het kan."

„Als u den kortsten weg neemt, zal het van hier rond een uur zijn." „Den kortsten weg," denkt zn' halflachend in het

Sluiten