is toegevoegd aan uw favorieten.

Pietje Bell, of De lotgevallen van een ondeugenden jongen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

en mevrouw Velinga een paar bezoeken gingen afleggen. Pietje hoorde, dat er ook nog een groote zoon bij de familie hoorde, maar die was op zijn kantoor in den Haag en zou eerst tegen het eten thuiskomen.

Toevallig droeg ook Hansje een wit matrozenpak, zoodat men de twee knapen licht voor broertjes had kunnen houden. In tegenstelling met Pietje was hij witblond met blauwe oogen. De wandeling naar het strand duurde niet lang. Martha eri haar vriendin zagen er vreeselijk prachtig uit, vond Pietje. Heelemaal in het wit, met witte kousen en witte schoentjes. Pietje vroeg aan Jo, waarom ze kapotte kousen aangetrokken had, er waren zooveel gaatjes in! Jo lachte en zei, dat het juist zoo hoorde.

„En wat ben jij mooi, Martha!" zei Piet. „Als je zóó in de Breestraat kwam, liep de heele buurt uit om je te zien."

Maar Martha zei, dat hij nu niet over de Breestraat moest spreken, ze waren hier op Scheveningen en niet in Rotterdam. Aan het strand keek Pietje zijn oogen uit. De tallooze tentjes waar koek en vruchten, limonade en chocolade verkocht werd, als ook de speelgoedkraampjes met de prachtige scheepjes, zandschoppen en vlaggen vond hij haast nog heerlijker dan de zee en de duinen. Hij dacht, dat al die heerlijkheden bij Scheveningen hoorden en dat alles voor niemendal te krijgen was.

„Zeg," zei hij tot Hansje, „ik haal zoo'n grooten koek met suiker er op."

En hij kwam voor het tentje en vroeg:

„Geef mij dien koek daar."

De man wikkelde er een papier om en reikte den koek aan Pietje over. Maar die maakte het papier weer los,