Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

466

TWEE JAARTALLEN.

vernam, dat de Zuidelijke Nederlanden een afzonderlijk Koninkrijk wenschten te zijn, en niet onduidelijk gaf men hem te verstaan, dat zij hem dan tot Koning begeerden. Spoedig evenwel kwamen de Hoofden van de Burgerwacht hem verklaren, dat zij niet meer voor zijne veiligheid instonden, doch bijna tegelijkertijd ontving hij de verzekering dat hij, door zich aan het hoofd van den opstand te plaatsen, het oproer zou kunnen bedwingen. De Prins van Oranje wilde dat evenwel niet, omdat men hem in het Noorden toch reeds verdacht van heulen met de Zuidelijken. Hij vertrok naar den Haag om daar te trachten, het werk der verzoening tot een goed einde te brengen. Maar de geest in het Noorden was niet verzoenings-gezind, en heftig was de dagbladtaal tegen de Zuidelijken, die men eenvoudig „Rebellen", of „Muiters" noemde, en één der kalmste couranten, „de Noordster", die te Amsterdam verscheen, verkondigde zelfs: „In Rebellen moet de soldaat zijn' broeder niet zien. Rebellen-bloed is geen „Burger-bloed". En als zóó het bezadigdste van alle Noord-Nederlandsche bladen sprak, wat moesten de anderen dan niet verkondigen? Had men, reeds jaren lang ten Noorden van den Moerdijk, zich ontevreden getoond over elke daad der Regeering, welke in het belang der Zuidelijken was, — had men al jaren lang kunnen vernemen, dat de Noord-Nederlanders inderdaad de Zuid-Nederlanders niet veel meer beschouwden, dan een volk, dat dankbaar mocht zijn, dat bij de oude Republiek ingelijfd was, — was er eigenlijk nooit sprake geweest van ware broederschap tusschen beide landen, — nu men in het Zuiden gewaagd had, oproer te maken om zijn' zin te krijgen, kwam het eerst uit, hoe zeer Noord- en Zuid-Nederland in aard en wezen van elkander verschilden. Er ging door heel de oude, voormalige Republiek maar ééne stem op, die zoo al niet van doodschieten of platschieten sprak, toch tot geweld hare toevlucht wilde nemen. Alweer om eerlijk te zijn moeten, we zeggen, dat de Zuid-Nederlanders ook nooit krachtige pogingen in het werk gesteld hadden, om tot broederlijke eensgezindheid te komen. Waar de één „een halve appel" bleef, daar bleef de ander, „eene halve peer", en de haat kwam van beide zijden.

Ondertusschen nam de regeeringloosheid in België toe, en andermaal ging de Prins van Oranje er heen, om althans die gewesten, welke door den opstand ons nog niet geheel ontvallen, waren, te besturen. Hij deed bij vele andere beloften ook deze, dat hij zich, om tot een vergelijk te kunnen komen, aan het hoofd van den opstand wilde plaatsen. In Noord-Nederland duidde men hem dit zeer euvel, en voor het Zuiden kwamen die beloften te laat. De Prins van Oranje werd thans teruggeroepen, en de Provinciën Antwerpen en Limburg kwamen onder het militaire gezag van de Generaals Chassé en Dibbets. Chassé trok binnen de Citadel van Antwerpen, en de stad werd in staat van beleg verklaard. Eindelijk riep de Koning Noord-Nederland te wapen om de oproermakers te tuchtigen, en aan die oproeping werd voldaan met eene geestdrift, die men in het kalme Nederland nooit zou gezocht hebben. Maar behalve, dat de Koning thans zijne trouwe onderdanen te wapen riep, wendde hij zich ook tot de Mogendheden, die beide landen tot één Koninkrijk vereenigd hadden. Die Mogendheden waren

Sluiten