Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

jongens hem van de Zondagsschool vertelden, leek hem wel prettig. En' vooral tegen Kerstfeest gevoelde hij zijn niet-gaan als een gemis.

Dus slenterde hij ook op de Zondagmiddagen doelloos rond in 't stadje of op de wallen. Dan kwam hij ook Gerard wel eens tegen, die met z'n ouders en zusje liep te wandelen.

Nu had hij 't hart niet, het ventje te plagen, want met den stevigen molenaarsknecht had hij 't liever niet aan den stok.

Als hij Gerard met z'n ouders en z'n zusje zoo gelukkig bij elkaar zag, werd hij in z'n hart dikwijls jaloersch.

Waarom was 't bij hem thuis ook niet zoo?

Hij had nog nooit met z'n vader gewandeld. En een moeder had hij heelemaal niet. En z'n kleine zusje zag er veel te vies uit, om mee uit wandelen te gaan. De menschen zouden hem uitlachen 1

Griet was wel een goeie meid. Maar toch heel iets anders dan een echte moedér.

Kijk die Gerard eens trotsch naast z'n „moesie" loopen. — Nou zegt-ie wat tegen z'n vader. — Zoo'n heilig boontje 1

„Hij moest maar eens een poosje bij ons wonen! — Dan zou hij zoo'n liefie niet zijn! Zoo'n genieperd 1"....

Dat was gewoonlijk 't slot zijner overleggingen. Zeer vriendelijk waren deze gedachten niet, maar er bleek toch duidelijk uit, dat z'n arm jongenshart uitging naar wat anders dan zijn ongezellig, ruw tehuis en dat hij behoefte had aan wat liefde en hartelijkheid. Niemand gaf hem die, en zon kwam hij er toe, een

Sluiten