is toegevoegd aan uw favorieten.

Een nieuwe bundel : bloemlezing van Nederlandsche poëzie en proza voor de hoogere klassen van gymnasia, hoogere burgerscholen en voor zelfstudie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

VERHAAL VAN PEER EENOOG.

verblijf gekomen, zagen wij Achmet voor de deur zitten, zich in de zon bakerende.

„Hebt ge niets beters te doen?" vroeg ik: „luie vlegel die ge zijt?Zijn de paarden gevoederd en de kemelen gedrenkt ? Ge weet, dat wij zoo aanstonds moeten vertrekken."

De jongeling zag mij met verbazing aan: „Vriend!" zeide hij toen, oprijzende: „de vermomming moet eindelijk ophouden: ik bedank om langer dit kleed te dragen, en "

Ik liet hem den tijd niet om uit te spreken; maar mijn staf opheffende, onthaalde ik hem, eer hij er nog aan dacht om zich te weer te stellen, op een smakelijk gerecht van rottingolie. Verwoed trok hij zijn dolk: maar ik gaf hem zoo geducht op zijn knokkels dat het moordtuig hem uit de handen viel. Terwijl hief Abdallah de handen op en schreeuwde als een varken dat gekeeld wordt Al de slaven schoten toe ; maar die van den koopman waren welgewapend en overmeesterden die van Achmet eer zij hun meester konden helpen. Op hetzelfde oogenblik kwam de Kadi met een deel gewapenden aan: Achmet en de zijnen werden in een ommezien gebonden en met zweepslagen naar de woning van hun nieuwen meester gejaagd, zonder dat men naar hun woorden wilde luisteren. Zoo had ik hem te voren den mij toegebrachten dolksteek betaald gezet Ik moet nog lachen, als ik bedenk, hoe de Kadi moet hebben opgekeken, toen hij een paar dagen later zijn nieuwen slaaf van kleur zal hebben zien veranderen.

Amine, die zich met de slavinnen van Abdallah in een afzonderlek vertrek bevond, had van dit alles niets gemerkt Ik liep terstond naar den kemeldie de bagage droeg, voorzag mij van geld, en huurde in de stad een draagstoel met een paar dragers. Toen begaf ik mij naar Amine en vertelde haar, dat Achmet, om haar op een min vermoeiende wijze te doen reizen en onopgemerkt binnen Damaskus te brengen, haar een draagstoel verschaft en mij verzocht had, haar daarin te helpen. Zij volgde mij zonder kwaad vermoeden; maar nauwelijks was zij er in gezeten, of wij gingen op weg, terwijl twee van Abdallahs slaven, die hij mij geleend had, naast het rijtuig reden roet last om de slavin zorgvuldig te bewaken. Wat de oude slavin van Achmet betrof, ik gaf haar te kennen, dat haar meester om redenen van voorzichtigheid, een anderen weg was gereden dan dien wij volgden, en zich te Damaskus weer bij ons zou vervoegen.

Te Damaskus gekomen, namen Abdallah en ik in denzelfden Khan onzen intrek. Zoodra wij ons behoorlek gereinigd en ververscht hadden, nam ik de oude slavin met mij en begaf mij naar den Bezestein, waar ik haar voor