is toegevoegd aan uw favorieten.

Alfer en Wala

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

Aser ging heen en traag kroop de tijd voor de drie achtergeblevenen voort. Het werd al donker en nog kwam hij niet. Eindelijk zelfs betrokken de soldaten reeds de nachtwake en nog waren ze alleen.

„O, ik word zoo angstig, Alfer," zei Wala. „Telkens, als ik een gerucht hoor, denk ik: Daar zijn ze om ons te scheiden. En, Alfer, dan zie ik wellicht nimmer Bruno's zate weer."

„Stil," sprak Alfer. „Ik hoor wat. Men komt."

Hij stond op en ging naar de deur met het doel, als het Romeinen waren, die de meisjes kwamen halen, hen zoolang buiten te houden, als hij kon.

Het was Aser, die, binnentredende, drie groote mantels en drie steunstokken nederwierp.

„Wij moeten vluchten," zei hij. „Te middernacht komen de slaven van Varro om Wala te halen. Hij wil haar aan Ahenobarbus niet afstaan. Wij hebben nog twee uur den tijd, en als wij ons haasten, kunnen we zelfs reeds buiten de legerplaatsen zijn voor middernacht. Doet die mantels om, neemt ieder een steunstok en doet op Oostersche wijze een hoofddoek om. Loop zoo ellendig mogelijk en volgt mij! Of wil Alfer nu liever weer waarheid spreken, en met zijn knots trachten het onmogelijke te doen?"

„Ik geef mij aan u over, Aser! Maar zeg mij nu eens, wat beduiden die mantels, hoofddoeken en steunstokken?"

Hesther huiverde onder haar mantel; zij wist het.

„Germaan, onder de volken van het Oosten heerscht dikwijls een vreeselijke ziekte. Ze heet melaatschheid. De ongelukkige, die er door aangetast wordt, mag niet onder zijn broederen en zusteren blijven wonen. Hij krijgt een afzonderlijk gewaad en moet buiten de samenleving met al de anderen, die aan dezelfde ziekte lijden als hij, in ijén huis wonen. Voor deze mantels hebt ge niet te vreezen; ze zijn fonkelnieuw, doch door mij vooraf hier en daar gescheurd en met modder bezoedeld, opdat ze oud