is toegevoegd aan uw favorieten.

Vertellingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

gelukkig, tevreden gezicht, want iedereen bereidde anderen een vreugde of werd gelukkig gemaakt.

„Als we een kind tegenkwamen, dat er uitzag of het niet verzorgd werd, vroegen we waar het zijn avond doorbracht; als het dit niet kon zeggen, brachten we het ergens naar een vroohjk hoekje, waar het met blijdschap ontvangen werd. Als we een oud mannetje of vrouwtje zagen, dat alleen verder strompelde,

werd er gevraagd waar de reis naar toeging; als men dien eenzame nergens wachtte, werd er een warm, koesterend plekje voor hem gezocht en wij brachten er hem naar toe. Als we iemand tegen kwamen met een knorrig, onvriendelijk gezicht, vroegen we wat

Om de vrooiijkueid binnen te laten, er aan haperde en het

aUervroolijkste, het allerblijste gezin werd gezocht om de knorrigheid te doen verdwijnen.

„En als we ergens geen vroohjk lichtje door de ramen zagen schijnen, belden we aan en we vroegen waarom daar geen vreugde was.

„Soms hoorden we dan van een oud vrouwtje, dat stil en eenzaam in haar kamertje lag en dan bleef een van ons achter om de vroohjkheid bij het menschje