is toegevoegd aan uw favorieten.

De koeherder van St.-Anne

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

— gesteld dat er in 't dorp zulk een man was.

Zoodra Valentijn zijn sober maal had verorberd, wat gauw genoeg in zijn werk ging, sprong hij op, en zich tot Gerard wendende, zeide hij:

„Gerard, mag ik even je zakdoek hebben?"

„Och jawel," antwoordde Gerard; „hij zit nog om de pan geknoopt, waar 't eten in was. Maar wat wil je er meê doen?"

„Luister eens," hernam Valentijn met oogen, die flikkerden van genoegen, „ik heb gehoord, dat een kalkoen nooit kwader wordt, dan wanneer men hem iets roods voorhoudt. Nu wil ik eens zien of dat waar is. Je zakdoek is vuurrood; dien zal ik eens voor de beesten heen en weer zwaaien, en kijken wat er gebeurt."

„Hé ja," riep Gerard, „doe dat. Maar wacht, je moest er liever een dien doek om den hals binden. Dan moet hij er wel naar kijken, en zal dol van kwaadaardigheid worden."

Onze vriend Valentijn vond dien raad uitnemend; zonder te bedenken welke gevolgen die dierenplagerij hebben kon, en alleen nieuwsgierig te weten, of wat hij gehoord had ook waar was. Haastig vingen de beide jongens een der dikste kalkoenen op, bonden hem met veel moeite den rooden doek om den hals, zoodat de einden voor de oogen van het dier fladderden in den wind, en gingen toen staan kijken wat er zou gebeuren.