is toegevoegd aan uw favorieten.

Van het verdonkerde goud

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

Nog vroolijk, nog levenslustig, lag er toch ernst op '1 jonge gezichtje, 't Was voor haar zoo moeilijk zoo, vreeselijk moeilijk, zuinig en huiselijk te zijn, thuis te blijven wanneer haar jonge hart hunkerde naar flirt en spel. Vaak was zij uit den band geschoten, in 't mooie najaarsweer was 't of de weelde der late zonnedagen haar door de leden voer. Dan moest ze uit, lachte brutaal en overmoedig en bezorgd om Van Diepen's bezwaren. Maar de trouwe liefde van haar man, die eigen zonde kende, hield haar vast, bracht haar terug, boeide haar tenslotte aan huis. Zijn geduld verootmoedigde haar. Zij leerde meedragen de zorgen van het gezin.

Vanzelf vond ze rijke belooning in de liefde van man en kind, de vrede in 't gezin, het meerder welvaren in huis. Zij deed haar best een toegewijd vrouwtje te worden.

„Ik zal 't eindelijk wel leeren," zei ze dan deemoedig en met een ondeugende tinteling in de oogen. „Als we de koperen bruiloft vieren ben ik de première van alle huismoeders."

De oude leeraar betrad den kansel. In de kerk, niet zoo vol als in 't voorjaar, heerschte toch gespannen aandacht. Tekst was: „Ik heb u gelouterd, gelijk men het zilver loutert, ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende."

Jozien en Hendrik stootten elkander aan. Sloeg deze tekst niet wonderlijk op de prediking in het voorjaar? Toen een klacht over het verdonkerde goud, nu een prijzen van Hem, die Zijne kinderen in den smeltkroes werpt opdat het fijne goud gereinigd worde. Geen aarden flesschen, maar gouden instrumenten om Gode te loven, moeten de kinderen des Heeren worden.