is toegevoegd aan uw favorieten.

Het beleg van Alkmaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

vijand geraakt! Hij bedenkt zich geen oogenblik om het op een loopen te zetten, zoo hard hij kan! Als die kerel hem nu maar niet nèschiet dan zal hij ook d i t gevaar nog wel weer te boven komen.

Maar gelukkig, de schildwacht is éven verschrikt als hij zelf: Dat donkere wezen daar, zoo plotseling uit het water gedoken, een vervaarlijke piek in de hand, het moet stellig de Booze wezen! Brr! En de Spanjaard gaat aan den haal, al even hard als de vluchtende bode, maar den tegengestelden kant uit. Van der Mey verwondert zich dan ook heel spoedig, dat hij geen voetstappen of schieten hoort, ziet om en bemerkt, dat hij niet vervolgd wordt. Hij matigt nu zijn gang: de eerste morgenschemering belicht reeds zijn pad, hij kan dus voor zich uitzien en gaat alzoo met wat meerder blijmoedigheid verder.

Evenwel, nog een klein avontuur staat hem te wachten. Voor hem uit loopt een vrouw, een zoetelaarster, die reeds vroeg het kamp verlaten heeft om te probeeren of zij in het Spaanschgezinde dorp Oterleek bij den een of anderen huisman nog geen mandvol eieren kan oploopen.

Ze wordt door Van der Mey ingehaald.

„Goeden morgen, boertje!" zegt ze in gebroken Hollandsen: „Al zoo vroeg op het pad?"

„Ja," zegt Van der Mey, „ik moet eens zien waar of de twee schapen gebleven zijn, die ik gisteravond gemist heb."

„O," antwoordt de vrouw, „die zullen wel ergens gestroopt in de tenten liggen."

Het gesprek komt nu van lieverlede op de belegering van Alkmaar:

„Die Alkmaarders zijn al even hardnekkig als de Haarlemmers," zegt het mensch. „Maar zij zullen er van lusten! Het beleg van Alkmaar. 8