is toegevoegd aan uw favorieten.

Het smidsgezin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

XV.

't Was in den nazomer. Oud en jong begroette de heldere morgenzon met dubbel vriendelijken blik, want het zou feest zijn vandaag, een volksfeest. Uit vele huizen was de vlag reeds uitgestoken: de wondermachtige driekleur had in aller ziel reeds het sein tot den feestjubel gegeven. De muziek marcheerde door de hoofdstraten, de ouden uit hun woning schallend, en al wat jong was met onweerstaanbare macht meetrekkend.

In een der hoofdstraten, waarop de straat, waarin de smid woonde, uitkwam, zouden vóór den middag de kinderfeesten plaats hebben, en daar krioelde alles reeds druk door elkander, want de wedloopen, het koekslaan, het turfrapen en krentenbroodjeshappen zou nu spoedig beginnen.

In de smidswoning was 't eigenaardig gesteld: Rus uit Louwveen had beloofd, dat hij naar 't feest zou komen en dan zijn oude schuld bij den smid afdoen, 't Feestzonnetje was ook hier reeds in den vroegen morgen met blijdschap begroet, omdat indien 't regende, Rus, en dus het geld niet verwacht mocht worden. De feestmuziek bracht ook hier allen in blijde stemming, want het was of de schettertonen de komst van Rus' aankondigden, en dat beloofde, dat ze vandaag een voldoend middagmaal zouden hebben. Zelfs de kinderen waren in blijde stemming, omdat er uit Louwveen een man met geld zou komen, en geld was: genoeg brood.

Er was dus iets van feest in de smidswoning.

En er was nóg wat: een hompje roggebrood van