is toegevoegd aan uw favorieten.

Een nieuwe bundel : bloemlezing van Nederlandsche poëzie en proza voor de hoogere klassen van gymnasia, hoogere burgerscholen en voor zelfstudie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

„de rooie".

den wensen uit, dat ze die katoenweverij maar voor zich moesten houden".

Twee dagen lang hield dit gerucht zich staande en werd het druk besproken, maar toen 's avonds, op den platvoet van den tweeden dag, de maan zoo mooi op de zeilen scheen, de lijzeils bijstonden en de Tromp met een tienmijlsvaarf om de Zuid liep, toen haalde de botteliersmaat, die zoo sterk was in de muziek, zijn harmonica voor den dag. Ze zaten in hoopjes bij elkaar vooruit op de bak, zongen van „Julia, o Julia! — 'k Heb de wereld rondgerezen". enz. enz. en ... Molenaar was vergeten.

later.

Toen de Tromp met de andere schepen van het eskader in de Westkwam, werd er door „de rooie" een brief gezonden aan het adres van mejuffrouw J. Van der Molen, „wonende in de Blauwe Steeg op het Nieuwediep aldaar," het arme schepsel dat „met vier kinderen zitten bleef", waarvan op een na het oudste, Kees, „gebrekkig geboren" was. Jan Matters had den brief geschreven, want hij was toen reeds „klaarder met de pen" dan de rooie. Samen hadden ze den brief klaargemaakt, doch „de rooie" wou niet hebben dat Jantje hem dichtmaakte. Hij wou hem absoluut zelf dichtmaken en hem zelf aan den sergeant van de mariniers geven, om hem op de post te brengen. Waarom dat was, begreep Jan Matters eerst een jaar of wat later, toen „de rooie" al overleden was en Van der Molen hem diënzelfden brief nog eens liet zien.

„Kijk", zei Van der Molen toen, „dat kunje duidelijk zien, dat heeft de rooie er zeker later onder gefigereerd, want het staat nog lager als dat hij zijn naam geteekend heeft."

Ja, er stond met verbazend groote letters: „Dit geld zat nog in Molenaar zijn parmanee".

„En", zei V. d. Molen, „daar was niks van waar, want toen ik 's nachts buiten boord viel, had ik net als altoos m'n geld en ... m'n portretfigeratie en alles wat ik had, onder mijn kleeren in een zakje, dat ik gemaakt had uit een stuk van een ouwe overtrek van mijn kopkussen."

Daar merk ik nu eerst, dat ik al verteld heb, dat Molenaar weer levend is geworden, want als men iemand hoort praten, dan is dat een duidelijk bewijs dat hij niet verdronken is.

Wel had „de rooie" gelijk toen hij zei, dat de veronderstelling, alsof V. d. Molen nog gered kon wezen, een „lapperig kombuispraatje" was. Van de duizend gevallen was dat zeker negen-honderd-negen-en-negentigkeeren