Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

468

EDUARD DOUWES DEKKER.

maken van ons doodskleed, en de voorbyganger zal zeggen: „daar is een mensch gestorven." Dan zal wie aankomt in de dorpen* tyding brengen van den dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt, zal vragen: „wie was de man die gestorven is?" En men zal zeggen:

„Hy was goed en rechtvaardig. Hy sprak recht en veustootte den klager niet van zyn deur. Hy hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. Ettwie den ploeg niet dryven kon door den grond omdat de buffel uit den stal was gehaald, hielp hy zoeken naar den buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hy den dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had onthield hy het loon niet, en hy ontnam de vruchten niet aan wie den boom geplant hadden. Hy kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel dat den arme behoorde."

Dan zal men zeggen in de dorpen: „Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zyn wil geschiede... er is een goed mensch gestorven."

Doch andermaal zal de voorbyganger stilstaan voor een huis, en vragen, „wat is dit, dat de gamlang zwygt, en het gezang der meisjes?" En wederom zal men zeggen: „er is een man gestorven."

En wié rondreist in de dorpen, zal 's avends zitten by zyn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonén, en hy zal zeggen:

„Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zyn, en hy verkocht het «ebt aan wie hem geld gaf. Hy mestte zynen akker met het zweet van den arbeider dien hy had afgeroepen van den akker des arbeids. Hy onthield den werkman zyn loon, en voedde zich met het voedsel van den arme. Hy is ryk geworden van de armoede der anderen. Hy had veel gouds en zilver en edele steenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stiHen van zyn kind. Hy glimlachte als een gelukkig mensch, maar men hoorde gekners tusschen de tanden van den klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zyn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden."

Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: „Allah is groot... wy vloeken niemand!"

Hoofden van Lebak, eens sterven wy allen! I

Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wy gezag hadden? En wat door de voorbygangers'die de begrafenis aanschouwen?

En wat zullen wy antwoorden, als er na onzen dood een stem spreekt tot onze ziel, en vraagt: „waarom is er geween in de velden, en waarom verbergen zich de jongelingen? Wié nam den oogst uit de schuren, en uit de stallen den buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gy gedaan met den broeder dien ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zyner vrouw?"

Hier hield Havelaar weder op, en na eenig zwygen ging hy op den eenvoudigsten toon van de wereld, en als had er volstrekt niets plaats gehad dat indruk maken moest, voort:

Sluiten