is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf en Clara, of Hoe ons land een republiek werd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io6

konden wij 't ook weten i Maar ik reken mij gelukkig, juffer Clara ten minste thans een goede huisvesting te hebben bezorgd. Gij zult haar toch wel eenigen tijd bij u willen houden i"

„Volgaarne," zeide vrouw Vermey. „Wie zou zulk een lief meisje, dat al zooveel geleden heeft, niet zooveel mogelijk dit verdriet doen vergeten S1"

„Gij zijt wel goed," zeide Clara vriendelijk, door haar tranen heen de brave vrouw toelachende. „Als ik u maar niet tot overlast ben."

„Tot overlast, mijn kind i Geenszins. En ik zal zorgen, dat gij dat jongensgewaad spoedig kunt uitdoen. Dat past voor geen meisje."

„Maar ik heb geen geld," zeide Clara verlegen. „Waarvan zou ik andere kleederen koopen {**

„Ik heb geld genoeg, kindlief," antwoordde vrouw Vermey. „Het ergste is, dat ik u geen kleederen kan geven naar uw stand."

„Wat doet er dat toe S1" zeide Clara. „Zooals gij doet, zal 't mij goed wezen."

Eenige uren later kwam de timmerman thuis, die met de troepen van Cabiljauw en Ruichaver de Spanjaards uit de voorstad had verdreven.

„Dat heeft er gespannen, vrouw," zeide hij. „Zij hadden reeds de geheele voorstad aan de Kennemerpoort ingenomen en dachten zich daar te nestelen; maar wij hebben hen ferm verdreven. Daarop hebben wij de voorstad in brand gestoken."

„En die arme menschen," zeide vrouw Vermey, „waar moeten die nu heen

„Hier en daar in de stad gehuisvest worden. Zij zullen later wel schadevergoeding krijgen. Daarenboven, of de Spanjaard hun woningen verbrandt, of dat wij het doen, zal wel tamelijk hetzelfde zijn. Doch wie zijn dat S*" vroeg hij, op Clara en Frans wijzende.

„Een zoon van neef Barendsz, die huisvesting vraagt