is toegevoegd aan uw favorieten.

Het groot vertelselboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dc Bewoners van het kleineTuinhuisje.

Naar het Engelsen van Louise Alcott.

I. Beertjes.

De eerste bewoner van het aardige tuinhuisje was een bruine beer. Ik zal je vertellen, hoe dat kwam. Een heer en een dame reden eens door een groot bosch in 't gebergte, toen ze op eens vreemde geluiden hoorden tusschen de takken van een boom aan den weg.

„Luister, dat zijn zeker de jongen van die groote berin, die de jagers hier in 't bosch geschoten hebben!" zei de heer.

„Ja, dat denk ik ook," zei de dame — „ach, die arme kleintjes, wat zullen ze hun moedertje missen! 't Is net, of ze angstig om haar roepen. Ze huilen precies als een paar kleine, verlaten kindertjes!"

„Ze zullen stellig dood gaan, als we ze niet redden; wacht, ik ga den boom voorzichtig schudden — hou jij dan je rok op, dan vallen ze zacht; en dan zullen we eens zien, wat we verder voor ze kunnen doen," zei mijnheer Hitchcock, en hij klom meteen tegen den stam van den boom op.

Wat schrikten de beertjes! Ze deden net of ze niet bang waren en bromden allergrappigst tegen den indringer, maar ondertusschen klommen ze zoo hoog dén boom in, als ze maar durfden.

„Voorzichtig, John, schud vooral héél, héél zachtjes!" waarschuwde mevrouw, terwijl ze haar rok wijd uitspreidde, om er de twee vreemdsoortige appeltjes in op te vangen.

En jawel, daar tuimelden ze naar beneden — eerst 't eene, toen 't andere, en natuurlijk waren ze allebei doodelijk ontsteld

l