is toegevoegd aan uw favorieten.

Sprookjes van H.C. Andersen : werelduitgave

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ATjr nc/^ U/lrAf 777\7 V4V Ti KT GELUK

81

l/ü ürcivjviju^i-^i' ■

leeliikengrauwenvogelmeebrachten^^

^TzïLezten hem maar in de leege kooi zetten, die bij 't raam stono\ gXre zal er misschien pleizier in hebben!" zei ze en ze lachte tegen een groten groenen papegaai, die in zijn prachtige koperen kom voornaanf op zijn ring zat te schommelen. „Lorretje is jarig van daag, en nu komt ielui vogel feliciteer en."

Lorre zei niets en bleef voornaam heen en weer schommelen, maar daarentegen begon een mooie kanarievogel, die den vorigen zomer uit zijn zonnig vaderland hierheen was gebracht, heel hard te zingen. ^Keuwledijkl» zei de dame en ze gooide een witten zakdoek

over zijn kooi. ..

Piepiep," zuchtte hij, „o, wat een sneeuw! en hij zweeg. De klerk kwam in een klein kooitje vlak bij de kanarie, met ver van den papegaai De eenige menschelijke frase, die Lorre voor den dag kon brengen en die soms heel grappig te pas kwam, was: „kom, laat ons nu menschen zijn!" Alles wat hij verder uitbraakte was even onverstaanbaar

: ïïs H gekwetter van de kanarie, maar niet voor den klerk, die was nu zelf een vogel en verstond zijn kameraads heel best. _ n

1 Ik floog onder de groene palmen en in den bloeienden amandelboom, zong d^kanarie. „Ik vloog met mijn makkers over heerlijke bloemen en over

tLe oanegaaien diè grappige geschiedenissen vertelden, zoo lang en zoo veel!

g T^^S^^r^rBainoaröAB Lorre, „ze hadden geen ontwikkelingVKom laat ons nu menschen zijn! waarom lach je niet ? Als de vrouw en alk vreemden er om kunnen lachen kun jij het ook. Het is een groot gebrek geen gevoel te hebben voor humor. Kom laat ons nu menschen zijn! g O weet je nog hoe mooie meisjes dansten onder de uitgespreide Ü tenten bij de bloeiende boomen. Denk je nog aan de zoete vruchten en t koele verfrisschende sap van de wildgroeiende kruiden?

O ja!" zei de papegaai, „maar 'k heb het nu veel beter. Ik krijg goed eten en een beste behandeling; ik weet, dat ik een knappe kop ben fn meer verlang ik niet. Laat ons nu menschen zijn! Jij bent een^dichte^ ziel zooals ze 't noemen, ik heb grondige kennis en vernuft. Jij hebt genie I maar Ie bent onbezonnen, je gaat op in die hooge natuurtonen en daarom wordt je toegedekt. Met zoo iets zullen ze mij niet afschepen, ik heb, ze, een boel meer gekost, ik imponeer met mijn snavel en ik maak grappen; kom laat ons nu menschen zijn!" . ' ...

O mijn zonnig, bloeiend vaderland!" zong de kanarievogel. Ik wil bezingen Te donke^ boomen en de stille meren, waar de takken het watervlak kussen en de kaktus groeit; de plant der woestijn.

„Schei toch uit met dat gejammer," zei de papegaai ^eg ee^ ^s waar men om lachen kan! Het lachen is een bewijs van het hoogste geeste-

6

ANDERSEN SPROOKJES. 3e dr. *