is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TANTE KIESPIJN

107

iets op een lei teekent, dat een mensch moet verbeelden. Eén enkele streep is het lichaam; één streep en nog een voor de armen; de beenen zijn ook ieder maar één streep, en het hoofd is veelkantig.

Langzamerhand werd het duidelijker, het scheen zoo iets als een rok aan te hebben, heel dun en heel fijn, maar men kon er aan zien, dat het een haar was en geen hij.

Ik hoorde een gegons als van een bromvlieg: was zij dat of de wind, die door de gebroken ruit bromde en gonsde als een vlieg.

Neen, zij was het zelf: Vrouwe Kiespijn, Haar Verschrikkelijkheid Satania infernalis, de hemel beware ons voor haar bezoek.

„Hier is het goed!" gonsde ze: een best kwartier! vochtige grond, moerasgrond. Hier hebben de muggen gedanst met gif in hun zuigers, nu heb ik zoo'n zuiger; hij moet gescherpt worden op menschentanden. Mooie, witte tanden heeft die daar, op dat bed! Zij hebben zoet en zuur getrotseerd, en heet en koud, notedoppen en pruimepitten, maar ik zal er aan rukken en schudden, ik zal den wortel begieten met tocht, dat ze koude voeten krijgen.

Dat was een verschrikkelijke rede, een afschuwelijke gast.

„Zoo, jij bent dus dichter! Nu, ik zal je leeren dichten in alle pijnversmaten. Ik zal ijzer en staal in je lichaam brengen, en ijzerdraden in je zenuwen. Het was of er een gloeiende priem door mijn kaak ging, ik kromde en draaide mij.

„Een prachtig tandstelsel!" zei ze, „een orgel om op te spelen: Grootmondharp-concert, met pauken en trompetten, picolo en bazuin in de wijsheidskiezen. Groot rtoëet,. crooto mnziplH"

i , 0- — •

En ze speelde, en verschrikkelijk zag zii er uit. zelfs als men niet, anders

van haar zag dan haar hand, de schaduwgrauwe, ijskoude hand, met de lange priemdunne vingers; ieder van die vingers was een martelwerktuig. Duimelot en Likkepot hadden nijptang en schroef, Langejaap eindigde in ;een spitsen priem, Korteknaap was een boor en Pingeling een spuitje met muggengif.

„Ik zal je versmaten leeren!" zeide ze. „Een groot dichter zal groote kiespijn hebben en een klein dichter kleine kiespijn!"

„O, laat mij een klein dichter zijn!" smeekte ik. „Laat mij heelemaal niet zijn! en ik ben ook geen dichter, ik heb maar aanvallen van dichten, zooals aanvallen van kiespijn! O ga heen, ga heen!"

„Wil je dan erkennen, dat ik machtiger ben dan poëzie, filosofie, mathematiek en alle muziek ?" zei ze. „Machtiger dan al die afgebeelde, en in marmer uitgehouwen, gewaarwordingen? Ik ben ouder dan zij allemaal «amen. Ik werd geboren dicht bij den tuin van het Paradijs, maar er buiten, waar de wind blies en de klamme paddestoelen groeiden. Ik heb Eva er toe jgebracht zich aan te kleeden in dat koude weer, en Adam ook. Je kunt gelooven, dat er kracht zat in die eerste kiespijn!"