is toegevoegd aan uw favorieten.

Sprookjes van H.C. Andersen : werelduitgave

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

TANTE KIESPIJN

„Ik geloof alles!" zei ik. „Ga heen, ga heen!"

„Ja, als je het dichter zijn wilt opgeven, en nooit meer een vers op papier, lei of ander schrijf artikel zet. Dan zal ik je loslaten, maar ik kom dadelijk terug als je weêr dicht!"

„Ik zweer het!" riep ik. „Als ik je maar nooit meer hoor of zie!"

^Zien zul je mij, maar in een gezettere en jou lievere gestalte dan deze! Je'zult mij zien als tante Emilie; en ik zal zeggen: „„Dicht, mijn lieve jongen! Je bent een groot dichter, de grootste misschien dien wij hebben!"" Maar als je mij gelooft en gaat dichten, dan zet ik je verzen op muziek, en speel op je mondharp! Jou lieve kind! — Denk aan mij als je tante Emilie ziet!"

Toen verdween zij.

Tot afscheid kreeg ik nog een gloeiende priem door mijn kaak; maar dat bedaarde gauw, en het was of ik voortgleed op het stille, zachte water, en de witte waterlelies met de groene, breede bladen bogen zich en zonken weg onder mij, ze verwelkten en vergingen, en ik zonk mee met hen, en verging ook tot vrede en rust. —

— Ontdooi, smelt als de sneeuw!" zong en ruischte het water, —„ga op als een wolk, drijf heen als een wolk!" Maar door het water heen zag ik groote namen, lichtend geschreven, opschriften op fladderende victorievanen; het onsterfelijkheidspatent geschreven op de vleugels van een ééndagsvlieg.

Mijn slaap was diep, een slaap zonder droom. Ik hoorde niet hoe de wind loeide, hoe de deur dreunde, hoe buurman's schel bengelde, en ook niet des huurders zware gymnastiek. Gelukzaligheid!

Daar kwam een windstoot, zoodat de gesloten deur naar tante's kamer opensprong. Tante sprong op, stapte in haar schoenen, ging in haar kleêren en kwam binnen bij mij.

Ik had geslapen als een engel Gods, zeide zij, en ze had het niet gewaagd mij te wekken. Ik werd van zelf wakker, sloeg mijn oogen op en was heelemaal vergeten, dat tante bij mij in huis was; maar spoedig herinnerde ik het mij, herinnerde mij ook mijn kiespijnvisioen. Droom en werkelijkheid ging in elkaar over.

„Heb je misschien nog wat geschreven, gisteren avond nadat ik weg was?" vroeg ze. „Ik wou het: Je bént mijn dichter en je blijft het!"

Het scheen mij, dat zij boosaardig glimlachte. Ik wist niet of het de eerzame tante Emilie was, die zooveel van mij hield, of het verschrikkelijk wezen, dat ik dien nacht mijn gelofte gegeven had.

„Heb je gedicht, mijn lieve jongen?"

„Neen, neen," riep ik. „U bent toch tante Emilie immers?" „Wie anders?" zei ze. En het was tante Emilie. Zij kuste mij, ging in een rijtuig en reed naar huis. Ik heb opgeschreven wat hier staat. Het is niet in verzen en het zal nooit gedrukt worden. *