is toegevoegd aan uw favorieten.

Op zonnige wegen : een zestal leesboeken voor de hoogste drie leerjaren der lagere school

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

Het deed den bek open. Toen bracht Ploni reed» een handvol meelspijs van ons middagmaal, en Hans nam het muschje voorzichtig in zijn hand en begon het te streelen. Dat was 'n groote vreugde. Onderwijl stond ik reeds met de oude vogelkooi klaar, om het diertje er in te doen, en zoo opeens een onverwachte vermeerdering onzer bezittingen te verkrijgen. — Maar Hans riep: „Je ben een domoor! Denk je, dat het blijft leven ? Je moest het zelf eens probeeren, wanneer je niet eten en drinken kön, en ze namen je van je moeder weg en stopten je in een vogelkooi. Dat zou je ook niet lijken. Het jong behoort bij de ouden."

Maar het nest was door de kat heelemaal vernield. Daarom liep ik met de vogelkooi weer weg en kwam met mijn hoofdkussen terug. Dit stopten wij in een gat van den muur en legden er het arme vogeltje op. Zijn snavel ging steeds open en toch wilde het geen kruimpje van zijn eten meer slikken. Zijn kleine borst ging gejaagd op en neer en het was haast te zwak om te piepen. Zoo lag het op het kussen in een kuiltje, dat Ploni gemaakt had. Wij lieten het op den raad van Hans met rust en hoopten, dat nu de ouden zouden komen, om hun kind te koesteren en te verzorgen.

Maar de ouden vlogen nog angstig om het dak rond. De flinke Hans sloop met het mes door stal en schuren. Hij zocht de kat

Wat ik op dien voormiddag uitgestaan heb! He liep rusteloos het prieel door, rekte mijn teenen uit en mijn langen hals, maar alles vergeefsch, ik was te klein om het jonge muschje in zijn bedje te kunnen zien liggen. Hc luisterde vergeefs, of ik het soms hoorde piepen