is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven onzes Heeren Jesus Christus volgens de Evangeliën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

standig zijn Goddelijk Vleesch als spijs, zijn Goddelijk Bloed als drank zouden genieten. Hij vergeleek de spijze van zijn Vleesch en Bloed, die Hij beloofde, met de spijze, hun bij de vermeerdering der brooden in de woestijn geschonken, bij het manna der vaderen, bij een voedsel, dat het leven onderhoudt Hij gaf te kennen, dat het eene wezenlijke genieting en deelname zou zijn aan het Vleesch, hetgeen Hij voor het heil der wereld zou offeren Onophoudelijk werden daarom Vleesch en Bloed tegenover elkander gesteld, en terwijl het Vleesch waarachtig eene spijs werd genoemd, werd *ijn Bloed waarachtig een drank geheeten. Voorwaar, duidelijker dan Jesus hier sprak kon Hij niet spreken, en in den zin, dat zijn Vleesch spijze is, zijn Bloed drank, werd hij openlijk door de groote menigte in de synagoog te Capharnaum verstaan.

Deze leer klonk zelfs vreemd in het oor van velen zijner leerlingen, en zij zeiden: „Hard is deze taal: wie kan ze aanhooren?" Zij vatten ze op in den letterlijken zin, verstonden het Vleesch-eten en Bloed-drinken op de gewone wijze, en werden met afschuw vervuld. Daarom sprak Jesus hun toe: „Ergert u dit? Wat dan als ge den Menschenzoon ziet opklimmen waar Hij voorheen was? De geest is het die leven geeft; het vleesch brengt niets daartoe bij. De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven. Maar daar .zijn er onder u, die niet gelooven. Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij kan komen, indien het hem niet gegeven is van mijnen Vader."

Toen de Heer nu op die wijze zijne woorden staande hield, had dit een scheuring onder zijne leerlingen ten gevolge, zoodat velen Hem verlieten en niet meer met Hem wandelden Nu wendde Jesus Zich tot zijn twaalf Apostelen, en zeide: „Wilt ook gij soms weggaan?" Maar Petrus antwoordde: „Heer, naar wien zouden we heengaan? Woorden van Eeuwig Leven hebt Ge. En wij hebben voorgoed geloofd en erkend, dat Gij de Christus zijt, de Zoon Gods." Jesus echter gaf in zijn antwoord te kennen: dat ook zij niet allen Hem getrouw zouden blijven, en met het oog op Judas zeide Hij: „Heb Ik niet u, de twaalf, Mij uitverkoren? En één uwer is een duivel"