Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

thans heel wat gemakkelijker dan bij den klim van zooeven. Maar Frans is er niet op verdacht, dat bij 't afdalen van een hoogte een groote vaart gevaarlijk kan worden voor het evenwicht; onwillekeurig moet hij zijn stappen grooter en grooter nemen, hij schiet nu als een razende, zonder het zoo hard te willen, vooruit en — zijn schoen

haakt in een heipol en daar duikelt hij en rolt eenige

malen als een bal om en (Om, om en om

Jochem heeft zijn bovenlijf wat stram achterover gehouden en kan daarom, al is zijn vaart ook tamelijk snel, loopende blijven.

„Frans!" roept hij; maar als hij den buitelaar weer ziet opspringen, ongedeerd, lacht hij luidop om de malle vertooning, die zijn makker gemaakt heeft.

„Heb je je zeer gedaan?" vraagt hij, bij Frans komend.

„Zeer? 'k Vond 't wat lekker, zoo'n buiteling," doet Frans groot.

Onder aan den heuvel, aan een rul zandweggetje, zit het vrouwtje neergehurkt. Als de jongens haar naderen, zien ze, wie 't is: „Sprikvrouwtje", of „doove Stijntje" noemt men haar in 't dorp; den eersten naam draagt ze in den mond van 't volk, omdat ze sprik en sparappels in 't bosch verzamelt en dan in 't dorp gaat verkoopen; den tweeden, wijl ze zóó doof is, dat men wel een scheepstrompet zou moeten gebruiken, om zich bij haar verstaanbaar te maken.

Ze heeft haar zwart-wollen mutsje, groen van ouderdom, over de ooren en half over 't voorhoofd getrokken. In de rechterhand houdt ze een kort krukstokje, de linker rust op een grauwen zak. Als de jongens haar genaderd zijn, kijkt ze even op; over haar verweerd gezicht glijdt een vriendelijk lachje, en voordat ze nog gegroet wordt, knikt ze de knapen een paar malen toe.

„Dag, Stijntje!" roept Jochem.

„Bonjour, femme sourde," zegt Frans.

„Nee, dat vind 'k flauw, zoo'n arm mensch nog voor den gek te houden," verwijt Jochem.

Sluiten