Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

434

DE NEOERHUT

Nu alles rijp was om te handelen, zouden onze lezers zeker wel gaarne eens achter de schermen willen zien, en getuigen wezen van den laatsten coup d'état.

Het was bijna avond. Legree was afwezig op een rijtoertje naar eene naburige hoeve. Vele dagen lang was Cassy bijzonder vriendelijkgeluimdgeweest.énalles scheen tusschen haar en Legree te zijn bijgelegd. Thans zien wij haar en Emmeline in de kamer der laatste, bezig met twee pakjes te maken.

„Daar, die zullen groot genoeg zijn," zeide. Cassy. „Zet nu uw hoed op, en laten wij gaan. Het is nu zoo wat de beste tijd."

„Maar zij kunnen ons zien," zeide Emmeline. „Ik wil ook dat wij gezien worden," antwoordde Cassy koelbloedig. „Weet gij niet dat zij ons toch zullen nazetten ? Wij zullen het juist op deze manier aanleggen. Wij zullen de achterdeur uitgaan en bij het kwartier langs loopen. Sambo en Quimbo zullen ons zeker zien. Zij zullen ons najagen en wij loopen het moeras in. Dan kunnen zij ons niet verder volgen vóórdat zij alarm gemaakt hebben, en de honden op het spoor gebracht en al zoo meer, en terwijl zij aan het haspelen zijn en elkaar in den weg loopen, zooals zij altijd doen, simpen wij naar de kreek die achter het huis omloopt, en waden door het water,'tot wij vlak over de achterdeur komen. Dat zal de honden geheel van het spoor a!brengen; want op het water blijft de reuk niet liggen. Iedereen zal het huis ontloopen, om naar ons te zoeken, en dan wippen wij de achterdeur weder in en naar de vliering, waar ik een goed bed heb opgemaakt in eene van de groote kisten. Wij moeten eene goede poos op de vliering blijven, want ik zeg u, hij zal hemel en aarde in beweging brengen om ons terug te krijgen. Hij zal een aantal van die oude opzichters bljeenhalen en eene groote jacht houden; zij zullen geen voet gronds van het moeras ondoorzocht laten. Hij snoeft er op, dat er nog nooit iemand van hem is weggekomen. Laat hij dus nu eens jagen naar hartelust." " „O, Cassy, hoe goed hebt gij dat overlegd!" zeide Emmeline. „Wie anders dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben?"

Er sprak nog blijdschap, nog eigenwaan uit Cassy's oogen — niets "anders dan wanhopige vastberadenheid.

„Kom!" zeide zij en gaf Emmeline de hand.

De twee vluchtelingen slopen stil het huis uit en in de snel vallende avondschemering het kwartier voorbij. De maan, welker smalle sikkel in het Westen onderging, vertraagde] de duisternis van den nacht nog een poos. Gelijk Cassy.

Sluiten