is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons leesboek : bloemlezing voor de katholieke school

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

— „Op uw boekske, Peterus," zei ik ... „heb je een boekske? En heb je dat bij je ?"

„Ja," zei Pietje, „dat boekske heb ik altijd bij me ; 't is bijna I Januari, en al wie ik in 1923 moet grijpen, staan er in met pen en inkt en 'n kruiske voor hun naam."

„Och," vroeg ik, „om de liefde Gods, laat me uw boekske

eens zien ?"

„Ik mag niet," antwoordde Pietje, „want als jij ging ver-» klappen, wie op m'n eerste blaadje staat, dan begonnen dè erfgenamen nu al ruzie te maken."

Dat was waar.

Maar ik was nieuwsgierig, en ik praatte zóó mooi, dat Pietje de Dood me z'n boekske liet zien. Maar dan mocht ik alleen de eerste bladzijde lezen. En ik mocht het ook aan niemand zeggen.

Met z'n lange, dorre, magere vingers, precies trommelstokken, haalde Pietje de Dood zijn boekske voor den dag.

't Was 'n zwart boekske, in perkament gebonden, en van 365 bladzijden. Voor eiken dag één.

Elk blaadje was dus een dag. En al die op 'n blaadjestonden, moesten dien dag sterven.

Met verbazing zag ik 'n boel kennissen op 't eerste blaadje staan, en ik was beneteld, om nog 'n bladzijde te zien.

'k Werd 'n beetje vrijer, en haalde m'n sigaretten-koker uit. Want ik dacht: „Als Pietje de Dood 'n sigarette neemt, moet-ie z'n lange vingers wel van 't boekske nemen! En in dientusschentijd draai ik 't blaadje om."

Maar ik kwam bedrogen uit, want toen ik zei: ,,'n Sigarette, Petrus ?" antwoordde hij kortaf: „Dank u, Jan !"

Toen bedacht ik wat andersi: ik stak zelf 'n sigarette op, en zoo den rook heel diep in. Toen deed ik alsof ik erg hoesten