is toegevoegd aan uw favorieten.

De kinderen van kapitein Grant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET SPAANSCH VAN JACQUES PAGANEL.

III

meer dan zes voet lang; zijn bronskleurig gelaat was tusschen de oogen en de mond rood, aan het onderste ooglid zwart, en op het voorhoofd wit. Op de wijze der grensbewoners van Patagonië gekleed, droeg die inboorling een prachtigen mantel met roode figuren versierd, vervaardigd uit het vel van den hals en de pooten van een guanacha, met de pezen van struisvogels vastgenaaid, en met de zijdeachtige wol naar buiten gekeerd. Onder zijn mantel droeg hij een nauwsluitende kleeding van vossenvel, die van voren in een punt uitliep. Aan zijn gordel hing een zakje, dat de kleuren bevatte, die hij gebruikte om zijn aangezicht te beschilderen. Zijn laarzen waren van een stuk ossehuid vervaardigd, en om den enkel met regelmatig over elkander gekruiste riemen vastgemaakt.

Het gelaat van dien Patagoniër was zeer schoon en zeer verstandig , in spijt van de kakelbonte kleuren, waarmede het beschilderd was. Hij wachtte in een waardige houding. Als men hem daar zoo onbeweeglijk en deftig op zijn voetstuk van rotsen had zien staan, zou men hem voor het standbeeld der koelbloedigheid gehouden hebben.

Zoodra de majoor hem bemerkt had, wees hij hem aan Glenarvan, die naar hem toeliep. De Patagoniër deed twee schreden vooruit. Glenarvan greep zijn hand en drukte ze in de zijne. Er lag in"den blik van den lord, in de opgeruimde uitdrukking van zijn gelaat, in zijn geheele houding zulk een gevoel van erkentelijkheid-, zulk een uitdrukking van dankbaarheid, dat de inboorling zich er niet in kon vergissen. Hij boog zachtjes het hoofd en zeide eenige woorden, die de majoor evenmin als zijn vriend kon verstaan.

Daarop veranderde de Patagoniër, na de vreemdelingen oplettend aangezien te hebben, van taal; maar, wat hij ook deed, zij begrepen die nieuwe taal evenmin als de andere. Zekere uitdrukkingen echter, waarvan de inboorling zich bediende, troffen Glenarvan. Het kwam hem voor, dat zij tot de spaansche taal behoorden, waarvan hij eenige der meest gebruikelijke woorden kende.

, ,Espanol ?'' zeide hij .

De Patagoniër knikte, een gebaar, dat bij alle volken dezelfde toestemmende beteekenis heeft.

,,Goed!" zeide de majoor, „dat is een kolfje naar de hand van onzen vriend Paganel. Hoe gelukkig, dat hij op de gedachte gekomen is om spaansch te leeren!''

Paganel werd geroepen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en groette den Patagoniër met echt franschen zwier, waarvan deze waarschijnlijk niets begreep. De geleerde aardrijkskundige werd aangaande den stand van zaken ingelicht.

, ,Zeer goed!'' zeide hij.

En den mond wijd openende om de woorden des te duidelijker te kunnen uitspreken, zeide hij: