is toegevoegd aan uw favorieten.

Robinson Crusoë

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— ïi3 —

weer bereikten, weldra met een groote overmacht zouden terugkeeren, en 't was niet te verwachten, dat de strijd ook dan in ons voordeel zou afloopen.

Wel waren we dezen keer bijzonder gelukkig geweest, doch de omstandigheden waren ons ook gunstig. De wilden, in 't minst niet voorbereid op wat hun te wachten stond, waren ongewapend en door den hevigen schrik teweeggebracht door onze vuurwapenen, niet terstond op tegenweer bedacht.

Hoewel het vreeselijk moordtooneel me met afschuw vervulde, meende ik toch om erger te voorkomen, het voorstel van Vrijdag te moeten aannemen; te dien einde begaf ik me naar een der vaartuigen, gevolgd door Vrijdag.

Ik was echter niet weinig verbaasd toen ik, in de boot springend, daar nog een zwarte vond liggen, aan handen en voeten gebonden, evenals de Spanjaard; blijkbaar was hij dus ook bestemd om te worden opgegeten. Daar zijn vijanden hem stevig op den bodem van 't vaartuig hadden vastgesnoerd, had hij niet eens over den rand der boot kunnen zien, zoodat hij geen flauw begrip had van hetgeen er om hem heen was voorgevallen. De arme man was geheel versuft en toen ik de touwen lossneed, wat het werk van een oogenblik was, viel hij bijna in zwijm.

Ik richtte hem halverwege op uit zijn ongemakkelijke houding, waarop hij mij angstig aanzag en een klagend gekreun liet hooren; hij dacht zeker niet anders of toen zijn boeien werden losgemaakt, was het zijn beurt om geslacht te worden.

Zooals ik bij den Spanjaard had gedaan, liet ik ook hem enkele druppels rum in den mond loopen, wat hem in zoover opwekte, dat hij een poging wilde doen om te spreken. Thans was de beurt aan Vrijdag om mijn werk over te nemen, ik gaf hem een wenk om naderbij te komen, hopende dat het hem zou gelukken den armen gevangene gerust te stellen.

Nauwelijks echter had Vrijdag hem gezien of hij viel hem om den hals, kuste en liefkoosde hem, weende en lachte, maakte aller- I i

. Robinson Crusoë. 2e druk.

lei zonderlinge geluiden, danste, sprong, zwaaide met de armen, sloeg zich tegen het hoofd, kortom hij gedroeg zich als een waanzinnige.

Of ik al vroeg wat hem scheelde, of hij dien wilde soms kende, of 't misschien een landgenoot was, hij sloeg geen acht op mijn vragen en bleef maar steeds op de dolstewijze aan zijn groote blijdschap lucht geven; dat het blijdschap moest zijn, niettegenstaande de tranen, maakte ik op uit zijn gebaren.

De ongelukkige daar in de boot moest echter geholpen worden, waarom ik Vrijdag op strengen toon beval mij te antwoorden.

Dit miste zijn uitwerking niet. Hij wist zich eenige oogenblikken te beheerschen en deelde me in onsamenhangende zinnen mee, dat die man in de kano niemand anders dan zijn vader was.

Daarop sprong hij weer in de boot, bekeek zijn vader met stralende oogen, sprong weer aan wal, liep als een dolleman heen en weer en sprong weer in de boot, ging dan heel dicht naast zijn vader zitten, legde zijn hoofd tegen diens naakte borst en liefkoosde hem als een moeder haar kind, om een oogenblik later weer overeind te springen en met teedere zorg de verstijfde ledematen van den ongelukkige te wrijven.

Aandachtig sloeg ik hem op eenigen afstand gade en ik schaam me niet te bekennen, dat er tranen langs mijn wangen liepen, toen ik die treffende blijken van liefde zag van den Zoon voor den vader. Ik raadde hem aan bij 't wrijven wat rum te gebruiken en blijkbaar deed dit den ouden man goed.

Nog te zwak om als Vrijdag op zoo luidruchtige wijze zijn vreugde kenbaar te maken, was 't toch aan de uitdrukking van zijn gelaat merkbaar, dat ook hij gelukkig was bij 't wederzien en 't bewustzijn, dat het gevaar voor een wreeden dood-geweken was.

Intusschen was de kans verkeken om den vluchtenden vijand te achterhalen, want deze was reeds bijna uit het gezicht verdwenen. Dit voornemen moesten we dus opgeven, waarvoor ve later zeer dankbaar waren, want nog' geen wee uur later stak er een hevige wind op