is toegevoegd aan uw favorieten.

Robinson Crusoë

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 114 —

uit het noordwesten, die den ganschen nacht aanhield.

Volgens onze meening heeft de kano der wilden dien storm geen weerstand kunnen bieden en zullen zij dus nooit de vaderlandsche kust meer hebben bereikt.

Tot nu toe had ik Vrijdag, die geheel in zijn vader opging, niet willen storen. Eindelijk echter, ziende dat de oude man in zoover was hersteld dat hij rechtop in de boot zat en dus misschien wel een oogenblikje alleen kon zijn, riep ik Vrijdag bij me.

Lachend en van geluk stralend kwam hij terstond naar me toe.

„Heb je je vader al een stuk brood gegeven?" vroeg ik.

Hij schudde het hoofd en keek zeer bedrukt. „Neen," zei hij droevig, „ik leelijke hond alles opgegeten."

Ik gaf hem van het mijne en voegde er wat rozijnen bij, waarmee hij dadelijk naar zijn vader snelde. Nauwelijks echter had hij hem dit gegeven of hij sprong weer aan wal en liep als een bezetene het land in.

Zulk loopen als Vrijdag deed, had ik nooit te voren gezien. Ik riep hem nog na, zoo hard ik kon, maar jawel, hij holde maar door.

Na een kwartier zag ik hem terugkomen; nu liep hij tamelijk langzaam en ik zag dat hij een of ander voorwerp- voorzichtig in de hand droeg. Hij was namelijk naar 't kasteel geweest om in een aarden kan wat drinkwater voor zijn vader te halen; ook had hij meteen twee brooden meegebracht. De brooden gaf hij mij, maar met het water ging hij naar de boot.

Men zag terstond, hoe een frissche dronk den ouden man verkwikte; voorzichtig en met kleine teugen liet zijn zoon hem drinken. Toen hij voldoende gelaafd was, wees ik Vrijdag op den armen Spanjaard, die niet minder behoefte aan wat drinkwater en eten had. Onverwijld holde hij nu naar den blanke, die onder de schaduw van een boom lag. Ook zijn ledematen maten waren stijf en pijnlijk, en toen hij Wilde opstaan bleek het, dat zijn enkels waren gezwollen, zoodat hij niet kon blijven staan en met een kreet van pijn weer op het gras neer¬

viel. Toen Vrijdag hem water en brood gaf, begon hij gretig te eten en te drinken. Ik reikte hem een tros rozijnen over, die hij met een dankbaren blik aannam.

Hoewel hij nog kort te voren zich zoo dapper verweerd had, was hij nu zoo zwak dat hij ternauwernood kon spreken. Weer wilde hij een poging doen om op te staan, doch hoewel ik hem daarbij ondersteunde ging het niet, zijn beenen weigerden hun dienst. Ik drong er dus op aan, dat hij zou blijven liggen toen Vrijdag reeds aanbood ook „den witten man" de gewrichten met rum te wrijven.

Ik zag, dat hij onder dit werk onophoudelijk omkeek naar zijn vader, als wilde hij zich overtuigen of deze nog op dezelfde plaats was blijven zitten. Toen hij, weer omziende, den man daar niet meer zag, ijlde hij weg zonder iets te zeggen.

Zoodra hij bemerkte, dat zijn vader alleen maar ergens anders was gaan liggen om beter te kunnen rusten, was hij gerustgesteld en kwam dadelijk terug.

We beraamden nu een middel om de beide mannen naar 't kasteel te vervoeren, waar ze door een zorgvuldige oppassing weer geheel zouden herstellen, naar ik hoopte, 't Beste zou zijn ze per boot verder te brengen, maar hoe kregen we den Spanjaard daarin, de man kon met den besten wil geen voet verzetten.

Vrijdag wist raad. Zonder bedenken nam hij den blanke op zijn sterke schouders en droeg hem naar de boot; eerst zette hij hem met de grootste zorg met de beenen naar binnen, op den rand van de kano, toen zette hij hem vlak naast zijn vader op den bodem van het vaartuig. Hij roeide nu met zulke krachtige slagen langs den oever tot dé kreek, dat het mij onmogelijk was hem bij te houden en toen ik daar aankwam was Vrijdag alweer teruggehold om ook de andere kano te halen, waarmee hij mij overzette.

Waren nu die twee anderen maar in staat geweest te loopen, dan zouden we spoedig 't kasteel bereikt hebben, maar daar was geen denken aan. Vrijdag had zijn vader en diens lotgenoot