is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons leesboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

om een aar op te laten schieten; die aar verdroogt toch zonder koren er in; denk je dat het prettig is, om voor niets werk te doen?«

En de boer had achter zijn ooren gekrabd, en zijn koren aangekeken.

»Zeker«, zoo had het verder gesproken: »want kijk maar, het is nu vier uur in den morgen en kan je een druppel dauw vinden op een van mijn halmen? Van regen spreek ik niet eens meer; maar van dauw spreek ik; in andere jaren lag ik nat van den dauw den heelen nacht; dat kwam van daarginds van de rivier vandaan, en streek al hooger over het dorp heen, ook hier naar de hoogere akkers; en dan zeiden wij tegen elkander: Daar komt het, daar komt het! en wij wiegelden heen en weer, om ook de onderste sprieten open te leggen voor den witten dauw; en dan ging het verder heen naar de dennen nog hooger op, zoodat de dennenaalden zwaar werden, aan elke naald een druppel; en lachen deden wij, als de hazen kwamen, dat wij ze nat maakten, nat, zoodat zij eerst droog werden tegen den middag, als ze in de zon gingen liggen daar waar het zand is, op den heuvel; heb je de hazen daar nooit gezien? Dat hadden wij gedaan; wij hadden ze zoo nat gemaakt!«

En de boer stond, en hoorde aldoor; hij vergat verder te loopen; zoo stonden zijn voeten vast aan den grond.

»Maar zeg eens«, zoo sprak het kleine koren aldoor, maar zeg eens, hoe staat het met de rivier? Waarom zendt zij geen nevel op 's avonds? Waarom komt de dauw niet? Wij zijn zoo klein en kunnen niet over het dorp heen zien; maar hebben de lage landen dauw? En staat het koren daar hooger? Staan de jonge halmen daar ook al geel vóór den tijd zooals wij ?«

En de boer antwoordde.