is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Staatsche leger, 1568-1795

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

voorstellen in.„tot herstellinge van 's'Lands Militie in luyster ende discipline" (1). Deze behelsden —

a. Eenige- compagnieën ter repartitie van Gelderland en van Utrecht hadden patenten om zich door de provincie Overyssel naar Grol te begeven; de Staten van laatstgenoemd gewest weigerden echter hun provinciaal patent af te geven. Zoo iets moest niet kunnen gebeuren; het stelde toch de commandanten voor de keuze, verbreking van hun eed of ongehoorzaamheid aan de bevelen van den Rijngraaf.

b. De patenten behoorden den datum van aankomst der compagnieën op de verzamelplaats (rendez-vous) aan te geven. Alle andere omstandigheden moesten daaraan ondergeschikt blijven.

c. De Raad diende in kennis gesteld te worden met alle door Hunne Hoog Mogenden of de provinciën verleende verloven, opdat geen commissies of opdrachten verstrekt zouden worden aan officieren, die zooals later kon blijken,- met verlof afwezig waren. Zonder bedoelde kennisgeving wist men niet in hoeverre de afwezige officieren al of niet verlof hadden.

d. De afschaffing der fourage-gelden had ten gevolge, dat de ruiters óp marsch de fourage voor hunne paarden van de huislieden afpersten. Een dageiyksche toelage van tien stuivers zou in dit euvel voorzien.

e. De eerbied der mindere officieren voor hunne meerderen liet veel te- wenschen over;zy verwaardigden zich nauwelijks om 'teerst te groeten. Vroeger, onder den kapitein-generaal, oefenden de kolonels voldoende autoriteit uit; thans achtten de provinciën zulks een inbreuk op hunne souvereiniteitsrechten. De Raad meende dat deze niet zouden lijden, wanneer by aanstellingen - van luitenants en vaandrigs vooraf het advies van de kolonels werd ingewonnen omtrent gedrag en bekwaamheid der solHcitanten. De kolonels te kennen by het verleenen van verloven.

f. Als gevolg van cassaties en reducties telden de regimenten een ongelyk aantal compagnieën. Enkele cavalerie-regimenten hadden slechts twee compagnieën. Sommige kapiteins der infanterie wisten zelfs niet tot welk regiment hunne' compagnieën behoorden „twelk dan „met de vendels, tromslag, en andersints in occasie disordre veroorzaken sal".

g. Ten tijde van prins Maurits, graaf Willem Lodewijk en prins Peedeeik Hendbi'k werd geen ritmeester of kapitein met minder dan vier-, geen luitenant, kornet of vaandrig met minder dan drie dienstjaren aangesteld; thans bevonden zich by de compagnieën tal van jonge, onbekwame en onervaren officieren.

h. Veel compagnieën waren te zwak in getalsterkte, slecht gemonteerd en gewapend, kwalijk gedisciplineerd — het gevolg van slechte

(1) Bes. S. Cr, 10 November, 21 December, Bes. B. v. St. 21 December 1657.