is toegevoegd aan je favorieten.

De geschiedenis van het Socinianisme in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

286

maners of aanhangers van de beginselen der Rijnsburgers, waren niet geheel uit de lucht gegrepen. De Sociniaansche strooming was niet langs hen heen gegleden, als de waterdruppelen langs een marmeren standbeeld. Zij mogen volkomen ter goeder trouw zijn geweest, waar zij de op hen geworpen verdenking van zich afwierpen en ontkenden Socinianen te zijn; zij mochten zich niet aansprakelijk willen stellen voor meer dan ééne stelling van het Socinianisme, aan de inwerking van den geest er van zijn zij niet ontkomen.

Het bleek ons reeds genoegzaam van de voormannen der Remonstrantsche partij. Wij herinneren ons hoe Vorstius het verlangen van de Leidsche Curatoren om eene grondige bestrijding van de Socinianen op te stellen afwees, omdat het dan, naar zijn eigene verklaring, blijken zou, dat hij op meer dan één punt eenstemmig met hen dacht1). Wij kunnen wijzen op Episcopius, bij wien de Schrift boven alles ging en die tegenover Heydanus „de weinigheyt der noodsaeckelijcke geloofspunten" verdedigde 2); op Curcellaeus en diens wijsgeerige ontwikkeling van de leer „de Deo" en „de providentia Dei"; op zijn voornemen om de geschriften der Socinianen door aanbeveling en herdruk te verbreiden, en zijne bestrijding van Maresius in zijne „Quaternio dissertationum de vocibus trinitatis, hypostaseos, personae et essentiae" 3); op Limborch, die bij zijne Schriftverklaring de

') Zie boven bl. 88 v.v.

*) Antwoord op de Proeve van Heydanus bl. 347; boven bl. 112 v.v. 128.

') Boven bl. 117, 129. Als een staaltje van lichtvaardige veroordeeling als Sociniaansch, diene het volgende: Op grond van daaruit gemaakte uittreksels, werd deze Quaternio dissertationum bij placcaat van 1 Juni 1661 als Sociniaansch veroordeeld. De President van het Hof van Holland, daaroverdoor de Pensionarissen van Amsterdam en Botterdam aangesproken, verklaarde dat men de Quaternio zelve niet had onderzocht, maar „op de trouw der uittreksels, die onbetwistbaar godslasteringen behelsden" was afgegaan, maar moest zich daarom hooren toevoegen, dat men ook uit de H. Schrift „uittreksels" kon maken, die „godslasterlijk" zouden klinken, en dat hij in het vervolg geen boeken meer had te veroordeelen, zonder