is toegevoegd aan je favorieten.

De geschiedenis van het Socinianisme in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

289

heftige Voetianen, spraken deze beschuldiging uit in een geschrift, waarin zij Coccejus' opvatting van de satisfactie als Sociniaansch brandmerkten en zijn gevoelen over het Sabbathsgebod, als behoorende tot het genadeverbond, aan een scherpe kritiek onderwierpen '). De meening van Coccejus, dat het gebod van den rustdag tot de ceremoniën der Wet behoorde, welke alleen voor Israël verbindend maar in Christus vervuld en te niet gedaan waren, kon ook in zooverre als een toenadering tot het Socinianisme beschouwd worden, als dit een scherpe onderscheiding maakte tusschen de belofte onder het Oude en Nieuwe Verbond. Was het wonder, dat ook de uitnemende Franeker Hoogleeraar H. A. Boëll, vrijzinnig denker als maar weinigen in zijn dagen, om zijn krachtig pleidooi ten gunste van het gebruik der „vera ratio" in geloofskwesties, van Socinianisme verdacht werd, hoewel het hem daarmede, naar hij verklaarde, alleen te doen was „Scripturae divinitatem demonstrare, asserere et vindicare ?"2) Maar bovendien werd de voorwaarde, die hij voor de aanneming zijner benoeming tot hoogleeraar aan de Friesche hoogeschool stelde, dat hij namelijk het recht zou hebben ook de theologie te onderwijzen, door allen, die het kerkelijk openbaringsgeloof bedreigd zagen, aangemerkt als een bewijs dat hij langs dien weg zoowel het Cartesianisme als het Socinianisme de hand wilde reiken en behulpzaam zijn.

Wanneer op deze wijze de steile orthodoxie ook rechtzinnige godgeleerden de kladde der Socinianerij aanwreef, dan was daarbij ongetwijfeld meer de partijdrift, die blind maakt, dan de waarheidszin aan het woord. Maar dat maakt het feit toch niet ongedaan, dat in de tweede helft der 17de eeuw ook zelfs in Gereformeerde kringen de behoefte

«) Sepp. a.w. II, bl. 231, 480.

*) H. J. E. yan Hoorn, Disputatio exponens Roëllii litem de aeterna gen erat ione filii Dei a Patre. Ultraj. 1856, 8°.

Van Slee. 19