Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

474

BOGERMAN.

hij heeft verricht als bijbelvertaler. Met Baudartius en Gerson Bucerus, in de 13de zitting der nationale synode van 1618/19 benoemd tot overzetter van het O. Testament, nadat hij als voorzitter, in de 6de sessie, den igden Nov. 1618 de zaak der bijbelvertaling ter tafel had gebracht, vertrok hij, als door de Staten-Generaal den iéden Juni 1625 besloten was, dat de bijeenkomst der bijbelvertalers te Leiden zou plaats vinden, derwaarts om er in November 1625 te arriveeren. De eerste bijeenkomst, waarin Bogerman tot voorzitter gekozen werd, vond plaats den i3den Nov. 1626, dus juist 8 jaar na de opening van de Dordsche synode. Den 29»ten Nov. begon het werk der vertaling, waaraan Bogerman stellig niet het kleinste aandeel heeft gehad, en met zijn zwakke gezondheid was het voor hem een zeer moeielijke taak. Uit een brief van hem aan Gomarus, d°. 25 April 1630 blijkt dat Bogerman met oordeel en zelfstandigheid vertaalde. Den 4den Sept. 1632 was het geheele O. T. vertaald; maar nu moest de revisie nog gebeuren, en vóór de reviseurs bijeenkwamen verliep nog een heelen tijd. Immers had pas den 9den Juli 1633 de eerste samenkomst plaats van vertalers en o verzieners, en het was alweer Bogerman, die hier. tot voorzitter werd benoemd, iets wat op nieuw een doorslaand bewijs is voor het feit, dat men in hem niet alleen een voortreffelijken leider zag om te praesideeren, maar ook dat allen zijn bekwaamheid en kunde huldigden en erkenden. Geëindigd was de herziening den isten Sept 1634, maar nu volgde nog het drukken, en aan de werkzaamheden hieraan verbonden nam hij eveneens een groot aandeel. Stellig is het dat hij de 3de correctie had

Ondertusschen was Bogerman den 9den Augustus 1633 benoemd tot hoogleeraar in de godgeleerdheid te Franeker, en als hij besloten had deze betrekking aan te nemen, gaf hij daarvan kennis aan curatoren der hoogeschool in een brief van den 25sten Nov. 1633, daarbij tevens verzoekende dat ze te Leeuwarden pogingen in het werk zouden stellen om van den kerkeraad en de magistraat ontslag te krijgen, wat hem den 31 sten Januari 1634 door laatstgenoemde en den 24sten Februari door eerstgenoemd college verleend werd. Maar er zou nog heel wat water naar de zee loopen voor hij te Franeker kwam. Niet vóór 1636 vertrok hij uit Leiden, na er ruim 10 jaar vertoefd te hebben. Als een afgeleefd man keerde hij naar Friesland terug. Langdurige ziekten en overgroote • werkzaamheden hadden zijn lichaamskrachten uitgeput Toch aanvaardde hij den 7den Dec. 1636, zijn betrekking te Franeker met een redevoering „de salutari usu judiciorum Dei." Den 28sten van dezelfde maand werd hij benoemd tot doctor in de godgeleerdheid, het eenige eerbewijs, dat hem nog ontbrak. In het volgend jaar was hij rector magnificus der academie. In het begin van zijn professoraat hield hij te Franeker verscheidene oratiën, die te gelijk met zijn inaugureele rede het licht zagen in 1637, onder den titel: Tractatus theologicus de salutari usu judiciorum Dei, orationibus aliquot absolutus. (Franeq).

Hard zal 't zeker voor Bogerman geweest zijn, dat hij, die steeds de ketterij bestreden had, nog op zijn ouden dag beschuldigd werd, zelf een ketter te zijn, een gevoelen dat hij ver van zich afwierp, en dat ook feitelijk geen schijn van waarheid had.

1) Ckart. 11. Acta syn. Z.-H01I. 1635 „dat de correctie ten eersten gedaen wert vanden

(trucker, ten tweeden van D, Baudartio, ten derden van P. Joh. Bogermanno,"

Sluiten