Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

468

CELEBES-ZEE—CERAM of SERAN.

Zuidmoesson; zij zjjn beide weinig krachtig en nergens elders worden zulke flauwe winden en zooveel stilte waargenomen. Vooral in het W.lijk gedeelte is dat het geval. In het O.hjk gedeelte beN. Celebes komen de moessons wel wat meer tot ontwikkeling, maar het geregeld doorstaan daarvan laat nog zeer veel te wenschen over en de wind bHjft weinig krachtig;er komen evenwel minder stilten voor en de kenteringen, vooral die in November, duren korter dan in het W.lijk gedeelte. '< In Mei ls het op de N.kust van Celebes nog kentering en van' Juni t/m September staat de flauwe Zuidmoesson zeer weinig geregeld door. In Oetober neemt dé Z. wind af inregelmaat en kracht en gaan O. en N.O. winden doorkomen, welke in November de overhand krijgen. De eveneens flauwe Noordmoesson duurt, met N. en N.O. winden, van December t/m April en staat even weinig krachtig, doch iets vaster door dan de Zuidmoesson. Het gering aantal waarnemingen in zee maakt eene geheel juiste vergehjking echter moeihjk.

Land- en zeewind doen hun invloed zeer sterk ge,voelen. In den Zuidmoesson staat des nachts de | Z.—Z.Z.O. wind geregelder en iets krachtiger door; overdag is de Z tot Z.Z.W. wind niet meer dan overheerschend en flauwer, af en toe komen dan stilte en enkele malen W.lijke winden voor. In den Noordmoesson is overdag de N.N.W. tot N.N.O. wind even stérk als nachts de N.N.O. tot O. wind en-staan beide wat geregelder door.

Zeer dioht onder den wal wordt de moesson geheel beheerscht door land- en zeewind; te Toli Toli waait overdag steeds N. tot ÏN.W. wind en na zonsondergang O.hjke wind.

Harde buien zijn zeldzaam. Op de N.kust van Celebes komen deze mét onweer af en toe door in den voornacht gedurende den "vollen Zuidmoesson. Slechts zelden waait het heel hard, alleen 's nachts met variabele winden werd dit waargenomen.

In zee is er van een drogen tgd geen sprake en de regenval is groot, omdat, al is het niet hevig, het 't geheele jaar door regent, het meest in Januari en in September.

In den Noordmóesson is de stroom in den regel zwak en onregelmatig, in den Zuidmoesson is hij krachtiger en zet veelal langs en op de Noordkust van Celebes. Van December tot en met April, voornamelijk in Januari loopt in de Celebes zee een vrij hooge Nlijke deining en bieden de reeden en baaien op de N.kust van Celebes geen veilige ankerplaats aan. Ook in het volle van den Zuidmoesson kan er heel wat zee staan.

De verticale waterbeweging is gemengd met sterk overheerschend dubbeldaagsch karakter, de grootste .rijzing bedraagt 1.5 tot 2 M., de kleinste enkele •dM. Zie zeemansgids deel IV, en voor natuurkundige gesteldheid het artikel ZEE.

CELOSIA CRISTATA L., Eam. Amarantaeeae. Bajam ekor koetjing (mal.), Djawer kotok (soend.), lier (jav.). In geheel Indië voorkomende sierplant, overal in de tuinen gekweekt en vandaar vaak verwilderd. Gehefd is vooral de variëteit met de hanekamvormige monstrueuss bloeiwijze. De bladeren worden wel als groente gegeten.

CELTIS CINNAMOMEA Lndl. fam. Ulmaceae. Kajoe tahi (mal.), Ki tai, Ki tamiang (soend.). Vrg hooge tot hooge boom met een onregelmatige ijle kroon, verspreid over Britsch Indië, Ceylon, Sumatra en Java. Het hout van oude boomen bevat skatoi en stinkt daardoor zeer naar faecaliëh. Het is als inlandsche drogerij en bestandeel van doepa's

bekend. Naar het schijnt komen ook andere houtsoorten, die naar skatol rieken onder den naam van Kajoe tahi voor.

CEMENTFABRIKATIE. Zie NIJVERHEID.

CERAM of SERAN. Landbeschrijving. Eiland in de Banda-zee, ten noorden van Ambon en de Oeliasers, tusschen 127° 50' en 130° 52' O.L en 2° 46' en 3" 51' Z.B. gelegen, en behoorende tot de residentie Amboina. De grootte bedraagt ruim 17.152 K.M*. De noordkust loopt hier en daar steil in zee af en vormt ongeveer in het midden van het eiland een inham, als de baai van Seleman of Sawai (zie aldaar) bekend; aan de lagere zuidkust worden drie groote baaien aangetroffen, die van Piroe in het wésten, de Elpapoeti-baai in het midden en oostelijker die van Taloeti; aan de noordoostkust zijn de baaien van Waroe Ingelas en Boela de eenige, waar schepen kunnen ankeren. Op meerdere plaatsen wordt het naderen der kust door koraalriffen en zandplaten bemoeilijkt en de zuidwestelijkste punt bestaat uit een groot schiereiland, Hoeamoeal of soms Klein-Ceram genoemd, dat door een smalle landtong met het hoofdeiland is verbonden.

Het bergstelsel van Ceram is minder eenvoudig dan men vroeger meende, toen men nog aannam, dat een „Centraal Gebergte" over de geheele lengte de as van het eiland volgde. In Midden-Ceram strekt zich tusschen de baai van Seleman of Sawai en die van Taloeti een N.W.—£.0. gericht hooggebergte uit, dat in den Pinaja 3010 M. bereikt. Noordelijk hiervan vindt men een aanzienlijke vlakte, waaruit slechts hier en daar enkele heuvels oprijzen. Het veel lagere bergland van West-Ceram is van zeer ingewikkelden bouw; men kon echter vaststellen, dat de hoofdrichting der ± 1000 M. hooge kammen W.—O. is. Enkele ruggen verheffen zioh eenigermate boven dit middelgebergte; zoo bijv. de Hatoe Epoele dicht bg' de Noordkust. Ook in Oost-Ceram vindt men slechts een laag bergland, dat in het Noorden en Oosten door heuvels omgeven wordt. Ten slotte verheffen zich tusschen de Piroe- en Elpapoeti-baai, tusschen deze en de baai van Taloeti en ten Oosten van deze laatste drie kustgebergten, die door laagten van het overige bergland gescheiden zijn, zoodat ze bij een dahng van ± 200 M. in afzonderlijke eilanden zouden veranderen. Het bergland is grootendeels met dicht bosch begroeid; in de meer droge streken (vooral in de vlakten) komt echter veel alang alang voor.

Geologisch is Ceram nog weinig bekend; men weet echter uit de 'onderzoekingen van K. Martin en J. Wanner, dat er kxistalhjne schisten en trias-sedimenten voorkomen, terwijl de aanwezigheid van jura en krijt zeker kan worden verwacht. Verder werden gabbros en peridotieten als oudere, andesieten als jongere massiefgesteenten gevonden. Als jongste vorming verschijnt koraalkalk in terrassen tot 350 M. boven zee in zuidelijk Hoeamoeal. Het eiland behoort tot het oudere randgebergte van de Bandazee (Verbeek, Molukken-verslag p. 555).

Rivieren van eenig belang kunnen op Ceram natuurlijk niet tot ontwikkeling komen. De voornaamste zijn de Roeata en de Tala, die in de Elpapoetibaai uitstroomen, de Sapolewa, die haar monding in de baai van Seleman heeft en de Marsiman aan de Oostkust; zij zijn uitsluitend voor kleine prauwen, veelal niet ver van de monding, bevaarbaar. Wegen ontbreken geheel; de gemeenschap van de kustbewoners met die van het binnenland heeft langs min of meer begaanbare voetpaden of langs de droge rivierbeddingen plaats en tusschen de aan het strand

Sluiten