Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHERIBON.

476.

Noord-Bantam en de kusten van Zuid-Sumatra heeft geheerscht. Beiden, Bantam en Cheribon, wai en de bondgenooten der mohammedaansche Soenans, die na 1478 Radèn Fatah van Demak en zijn opvolgers als hun wereldlik hoofd erkenden. Na de ontbinding van het rijkje van Demak (1546) werd die band verbroken en, terwijl de handelsplaats Cheribon onbeduidend bleef, kreeg Bantam, vooral na de bezoeken van Nederlandsche en Engelsche koopheden na 1596, meer beteekenis. Cheribon werd in 1625 of reeds vroeger, leenplichtig aan Mataram, in 1632 feitelijk vazal. Een zijner panembahans, Girilaja, verzwakte het rijkje nog meer door het gebied te verdeelen onder twee zijner zonen, pangéran Martawidjaja (de latere sultan Sepoeh) en pangéran Kartawidjaja (de latere sultan Anom). Deze waren bovéndien gehouden èen derden' zoon, pangéran Wangsakarta of Gódong (dén lateren panembahan), een vast getal huisgezinnen tot apanage te schenken. -— De beide eerstgenoemden verbleven, hetzij als gijzelaars dan wel als staatsgevangenen, te Karta, toen deze hoofdplaats van het Mataramsche rijk door opstandelingen onder.Troenödjöjö en anderen werd ingenomen en verwoest (1677). Zij hadden reeds vroeger, bedektelijk, de zijde van den opstand gekozen en werden nu, eerst door tusschenkomst van Troenödjöjö, daarna van den vorst van Bantam, naar hun land teruggevoerd. Deze, de bekende Aboe'l-fatah, bewoog hen tot vijandelijkheden tegen Mataram en middellijk tegen de N. O.-I. Compagnie. Het was de aanleiding tot de vijandelijkheden tusschen Bantam en de Compagnie, welke met den ondergang van Aboe'l-fatah eindigden. Gedurende den oorlog met Bantam werd Cheribon in 1680 door troepen, daartoe van Batavia afgezonden, bezet. De drie vorstenzonen *) sloten daarop, 4 Januari 1681, een contract met de Indische regeering, dat tot in 't begin der 19' eeuw in de hoofdzaken geen verandering meer heeft ondergaan. — Tegen belofte van bescherming door de Compagnie *), zouden de prinsen rijn hare trouwe bondgenooten, welke geen andere beschermheeren erkenden. Zij beloofden de Compagnie.met krijgsvolk bij te staan in tijd van nood en beloofden ook geen natiën, met de Compagnie in oorlog, in hun land toe te laten. Zij mochten niet zelfstandig oorlog of vrede maken, zij mochten geen forten of vastigheden aanleggen in hun eigen gebied. Daarentegen was de Compagnie bevoegd hare vijanden onder 't gebied van Cheribon, hetzij te water of te land, aan te tasten. De handel werd aan passen gebonden; de vaart der ingezetenen bovendien beperkt. De Compagnie had verder het recht ter hoofdplaats Cheribon een loge te bouwen; zij genoot tolvrijheid door het geheele gebied; zij verkreeg het monopolie van den invoer van opium en alle soorten van kleeden, dat van den uitvoer van peper en, als het noodig mocht zijn, ook van rijst, hout en suiker „of iets anders".

Het contract hield nog de vreemde bepaling, die echter, den toestand van het oogenblik juist teruggaf: de prinsen blijven, onverminderd de vriendschap met de Compagnie, de trouwe bondge-

*) Ook aan den jongste werd door de Bidische regeering aandeel in de regeering gegeven. Hij.had, toen de beide oudsten te Karta verbleven, het - bestuur over Cheribon gevoerd en werd geacht . meer dan de anderen op de hand der Nederlanders te rijn.

*) Met den bouw van een Nederl. .fortje ter , hoofdplaats Cheribon werd in 1686 begonnen.

nooten van den Soenan van Mataram. De Cheribonsche prinsen, eenmaal onder de bescherming der Nederlanders, waren ongezind ook de leenmannen van Maratam te blijven, maar Mangkoerat I wilde de vroegere verhoudingen niet prijs geven. De spanning hierdoor, en door andere verwittelingen, ontstaan, vond hare ruwe ontknooping in den moord op den gezant der Compagnie, den kapitein Tak, binnen Karta in 1686 gepleegd, en de halve oorlog met Mataram, gevolg van deze gebeurtenis, werd beëindigd door het contract, met den nieuwen beschermeling der Compagnie (Poeger of Pakoeboewónd I) gesloten, waarbij deze o.a. erkende dat de landen, prinsen en volkeren van Cheribon waren vrije landen, etc, waarop hij noch zijne opvolgers in 't minste te pretendeeren hadden (1705). r— Intusschen had „het prinsdom" Gebang 1) rich onder de bescherming der Compagnie geplaatst in 1689; ook het regentschap Indramajoe (Dermajoe) omstreeks denzelfden tijd of wat later; hetzelfde deden in 1690 de regenten der bergstreken bezuiden Cheribon, deel uitmakende van de tegenwoordige Preanger. — Met de afbakening der grenzen, als gevolg van het tusschen de Compagnie en Mataram gesloten contract van 1705, ontstond de residentie Cheribon. Deze omvatte tot het jaar 1809: a. bet regentschap Indramajoe; 6. het prinsdom Gebang; — om deze beiden heen: c. de Sultanslanden 2), beslaande de tegenwoordige partikuhere landerijen Kandanghaoer en Indramajoe en de tegenwoordige regentschappen Cheribon, Madjalengka en Koeningan; d. de Cheribonsehe Preanger en wel 1°. Galoeh, d.i. de „door elkaar gestrengelde" landschappen Oetama, Tjiamis en Imbanegara, 2°. Limbangan en 3°. Soekapoera3). Galoeh strekte zich toenmaals tot de zuidkust van Java uit en omvatte het oostehjk deel van het tegenwoordige Soekapoera, geheel Noesakambangan en een gedeelte der districten Da jaloehoer enPegadingan van het regentschap Tjilat jap. Daendels splitste in lateren tijd de residentie, welke uit twee zoo van elkaar verschillende landstreken bestond, in twee deelen: de noordehjke prefecture, bestaande uit de Sultanslanden, Indramajoe en Gebang en de zuidelijke, welke Limbangan, Soekapoera en Galoeh omvatte (2 Peb. 1809). Deze laatste prefeotnre (landdrostambt) werd bj besluit van 20 Juni 1810 gevoegd bjj het landdrostambt der Djakatrasche en Preanger Bovenlanden *). Waarschijnlijk is bij deze gelegenheid of iets

') De hoofdplaats lag op 9 K.M. afstand westelijk van Losari aan de noordkust.

2) Het. wordt verkieslijk geacht deze uitdrukking te gebruiken, omdat zij burgerrecht heeft verkregen. De beide oudste prinsen van Cheribon hadden onder meer van den Sultan van Bantam den titel van Sultan ontvangen. Bij de eerste aanraking met de Nederlanders erkenden zij gaarne van dezen hoogeren titel afstand te doen; zij herhaalden hunne bereidverklaring bij eene regeling van 1686; toch bleef de titel van Sultan na dien tijd in gebruik.

s) Gedurende een korten tijd, van 1758 tot 1765, behoorden tot de Cheribonsehe Preanger ook de regentschappen Soemedang en Parakanmoentang, die overigens tot de Bataviasche Préanger behoorden en daarmede onder het toezicht van Gouverneur-generaal en raden van Indië stonden.

4) Op deze wijs ontstond, toen van de Bataviasche Preanger nog het landdrostambt Kta-

Sluiten