Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

496

COCOS-ETLANDEN—COHEN STUART (ABRAHAM BENJAMIN).

(Scottish geographioal Magazine 1889);F. Wood-Jones, Cora and atolls (handelt grootendeels over de Cocos-eilanden), London 1910.

COCQ D'ARMANDVILLE (CORNELIS JOHANNES LE), geb. te Delft, 29 Maart 1846, deed zijn voorbereidende studiën aan het gymnasium te Katwijk, vervolgens te Sittard en trad daarna 27 Sept. 1865 in de Sociëteit van Jezus. Van Sept. 1871— Sept. 1873 was hij leeraar aan het gymnasium te Katwijk. Bi 1876 werd hij tot priester gewijd. Einde 1878 werd hij als missionaris naar Ned. Indië gezonden, waar hij zijn eersten werkkring vond te Semarang. 1879—1881. Van 1881—1891 was hij achtereenvolgens werkzaam te Maumeri, Sikka, Kotting, Lela en Iio, de onherbergzaamste streken van Flores. Van zijn kennis omtrent land en volk aldaar trok Dr. H. T. C. ten Kate veel partij ten behoeve van zijné pubheatie omtrent Flores. 27 Juni 1891 werd Le Cocq overgeplaatst naar Ceram. In Mei 1893 bezocht hij verschillende eilanden om een geschikte plaats voor een nieuw missiehuis te zoeken. 6 Dec. 1895 vestigde hij een statie te Kapaur, Zuidkust N. Guinea. Vandaar ondernam hij een expeditie tot 141° O.L. en verdronk bij het terugkeeren naar de schoener, dié hem op zee wachtte (27 Mei 1896). Zie over hem Kathol, missiën XXI (1896—97) blz. 158; Bid. Gids 1900 H blz. 1170; W. v. Nieuwenhoff, Skizze aus dem Missionsleben von N. O. I. 1902; Dr. Ten Kate in Tijds'. Aardr. Gen. XI (1894).

CODIAEUM VARIEGATUM BL, fam. Euphorbiaceae. Poeding, Poering (mal., jav.). Heester uit de Molukken, wegens de zeer verschillend gevormde en gekleurde bonte bladeren overal gekweekt, meest bekend onder den naam van Croton. De plant wordt voor allerlei kwalen als geneesmiddel gebruikt.

CODIFICATIE. Zie BECHTSWEZEN.

COEN (JAN PIETERSZOON). De grondvester der Nederlandsche macht in den Indischen archipel werd geboren te Hoorn den 8sten Januari 1587, als zoon van Pieter WUlemsz van Twisk, begaf zich 'in het belang van eene opleiding voor den handel in 1601 naar Rome, waar hn' tot 1607 werkzaam was op het kantoor van Justus Pescatore (de Vissoher) uit Oudenaarde. In dat laatste jaar ging hij als onderkoopman in dienst der Compagnie naar Indië, deed in 1612 als opperkoopman een tweede reis derwaarts, en werd daar, achtereenvolgens aangesteld tot president van de factorijen te Bantam en Djakatra, in Oct. 1613 tot directeur-generaal over alle de Comptoren van negotie in Indië en 25 Oct. 1617 tot Gouv.-Gen. Coen nam den titel van G. G. echter eerst aan in Maart 1619, nadat Reael, die op Ternate was, zijne betrekking had neergelegd. Ten gevolge van oneenigheden met Bantam, was, als tegenwicht tegen dat rijk, in 1610 eene factorij te Djakatra gesticht, maar toen ook de pangéran of regent van dat rijkje niet te vertrouwen scheen, bepaalde Coen in 1618 dat daar een fort zou gesticht worden. Trots den tegenstand van Djakatra en later ook van de Engelschen, werd dit plan volvoerd; Coen zag zich echter genoodzaakt, na een onbeslisten slag tegen de overmachtige Engelsche vloot naar de Molukken te gaan om versterking te zoeken (Januari 1619); gedurende zijne afwezigheid had de bezetting van het fort zich te verdedigen zoowel tegen Djakatranen en Engelschen als later tegen de Bantammere (Zie DJAKATRA en BATAVIA). In Mei 1619 kwam Coen weder voor Djakatra, nadat hij eerst nog Djapara verbrand had, waar de Nederlanders, die er verbhjf bielden, in 1618 vermoord waren. Het geJukte hem zonder veel moeite het fort te ontzetten

en op de plaats van het verwoeste Djakatra werd door hem de hoofdstad van Ned.-Indië, Batavia gesticht; Het bestuur en rechtswezen in het voor de Compagnie verworven gebied, Batavia en ommelanden, werd door hem op Uitmuntende wijze georganiseerd; de voornaamste daarop betrekking hebbende verordeningen vindt men bij V. d. Chijs, Placaatboek van Ned.-Indië, Dl. I bl. 56. In 1621 vertrok Coen naar de Banda-eilanden, waar de bevolking, niettegenstaande de met de Comp. gesloten contracten, hare producten aan de Engelschen leverde; na korten strijd werden die eilanden tot onderwerping gebracht en de bevolking deels gedood, deels naar andere gedeelten van den archipel overgebracht. Den lstcn Febr. 1623 legde Coen het bestuur neder; in het vaderland teruggekeerd werd hij daar met groote eer ontvangen, tot bewindhebber benoemd en -3 Oct. 1624 opnieuw tot Gouv.-Generaal aangesteld. De Engelschen, die in hem hun krachtigsten tegenstander zagen, trachtten zijn vertrek te belemmeren; zelf s werd hem door de Sta ten-Generaal het bevel gegeven, niet naar Indië te vertrekken. Desniettegenstaande vertrok Coen incognito en kwam in 1627 te Batavia aan, waar hij 30 Sept. weder als Gouv.Gen. optrad. Zijn komst was als het ware het sein voor de Engelschen om Batavia te verlaten, en hun hoofdkwartier te Bantam te vestigen. Gedurende den korten tijd dat hij het bestuur voor de tweede maal voerde, werd Batavia tweemaal door een krijgsmacht uit Mataram, doch te vergeefs, belegerd; gedurende het tweede beleg overleed Coen (21 Sept. 1629), die intusschen door het vernielen der magazij nen van den vijand dezen zoozeer had verlamd, dat hij weldra onverrichter zake moest aftrekken.

Coen heeft door zijn krachtig beleid en groote talenten als krijgsoverste alle aanspraak op den eerenaam van grondvester van het Nederlandsch gezag in Indië, en toonde ook als bestuurder groote talenten van organisatie. Door hem werd een plan tot het overbrengen van Europeanen als kolonisten naar Indië ontworpen; een reglement op den handel naar Indië van zijne hand was reeds door de HH. XVH goedgekeurd, maar werd ten gevolge van het verzet der aandeelhouders in de Comp. niet ingevoerd. Ook hierin moet de ruime blik en het onafhankelijke oordeel van Coen worden gewaardeerd, die het meermalen waagde, zijn gevoelen tegen dat der HH. XVH te stellen. Jammer maar dat deze groote eigenschappen werden verduisterd door zijne groote strengheid tegenover de inlanders, die soms, zooals op de Banda-eilanden in wreedheid ontaardde, en die slechts verschoond kan worden door zijne overtuiging, dat hij bovenal de Comp. moest dienen en door de geheel andere beschouwing toen over den inlander voorgestaan dan die, welke thans de heerschende is.

Zie voor geschriften, over Coen handelende, Van Rhede v. d. Kloot, De Gouvs.-Gen. enz. 1891 passim. Vgl. ook Cohjn Neerlands-Indië I blz. 331 e.v.

CO FEE A ARABICA L. fam. Rubiaceae. Zie KOFFIE.

COHEN STUART (ABRAHAM BENJAMIN).

Geb. te 's Gravenhage 17 Maart 1825, werd hij in 1842 aan de Hoogeschool te Leiden ingeschreven, maar moest weldra naar Delft vertrekken om het radicaal voor O. I. ambtenaar te verkrijgen, dat hem in 1846 ten deel vieL Op raad zijner leermeesters zocht hij in Indië niet in de administratie te treden, maar wijdde hij zich aan wetenschappelijke studiën, waartoe hij door de Regeering in staat werd gestéld, die hem in 1847 toevoegde aan de HH. Winter

Sluiten