is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis van de bouwstijlen in de hoofdtijdperken der architektuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

GESCHIEDENIS VAN DE BOUWSTIJLEN.

van 300 M. lengte en 10 tot 20 M. hoogte. Zij zijn in hun archaïsch voorkomen het treffendst voorbeeld van den bouwtrant die door de Grieken der oudheid aan het mythisch volk der Cyclopen werd toegeschreven. Herodotus stelde de vestingwerken van Tiryns op een lijn met de pyramiden van Egypte. In hare massa zijn op twee plaatsen onderscheidenlijk vijf en zes kasematten of voorraadsruimten uitgespaard, die uitkomen op een gang, welke door een splitsbogig schijngewelf is overdekt. (Afb. 241).

Een lange helling, door de burchtmuren en torens bestreken, geleidt door drie poorten heen, waarvan de derde, welke aan weerszijden met open zuilenhallen prijkt, meer het karakter van een praalpoort draagt, naar een voorplein. Hierbij sluit zich een binnenplein aan, dat door galerijen is omringd en waarop het altaar staat opgericht. Aan gene zijde verheft zich op de overblijfselen van oudere, vóórmykeensche gebouwen, het paleis. In hoofdzaak bestaat dit uit een viertal bouwwerken van het megaron-type, elk door een binnenhof voorafgegaan en bestaande uit een portiek en een zaal. Bij het grootste echter — de zoogen. mannenzaal — is tusschen de portiek (wier wanden met hout beschoten waren) en de zaal nog een ondiep vertrek gevoegd. De zaal zelve beslaat een oppervlak van 115 M3. en hare zoldering wordt gesteund door vier zuilen, die den haard omgaven. Een tweede bouwwerk van kleinere afmetingen staat als de vrouwenzaal bekend, andere als het vorstelijk slaapvertrek en de schatkamer, maar met zekerheid is de bestemming niet aan te geven. Een klein afzonderlijk gelegen vertrek, kan als badkamer, die in de homerische paleizen nooit ontbrak, gediend hebben. De vloer, die van een goot voorzien was, bestond uit één blok kalksteen van 3 bij 4 M. Hierop zou eertijds zijn geplaatst een terra-cotta badkuip, als waarvan te Tiryns fragmenten zijn teruggevonden. In tegenstelling tot Mykenae werden te Tiryns geene kunstwerken van edel metaal opgedolven.

Trotseerden de vestingmuren de eeuwigheid, de woongebouwen daarentegen vertoonden den gebruikelijken vergankelijken bouw van ongebakken steen met gebruik van hout. Toch geven de overblijfselen niet alleen wat den aanleg, maar ook wat den tooi betreft, eene tastbare voorstelling van een der vele, door Ho'merus beschreven paleizen zijner helden, van Menelaüs, Alkinoüs of Odysseus.

Van veelkleurige wand beschildering zijn de sporen teruggevonden. De kleuren waren, evenals die op de vazen, in hoofdzaak rood, geel en blauw, binnen zwarte omtrekken, op een witten en blauwen ondergrond. Violet en groen komen zelden voor. Figuren werden uitsluitend van op zij afgebeeld, de perspectivische voorstellingswijze was nog niet bekend. De zorgvuldig bewerkte stucvloeren waren door streepen in velden verdeeld, die blijkbaar met kleuren waren ingevuld. De stucsokkel der wanden vertoonde soms eene nabootsing van marmer. Van de wandversiering

met al-tresco, d. L in de natte kalk uitgevoerde schilderwerken waren nog belangrijke fragmenten aanwezig, o. a. tegen den wand van het vrouwen-megaron. Het fraaiste daarvan is de voorstelling van een man die in geweldige actie over den rug van een reusachtigen, als razend voorthollenden stier springt. Van zuiver ornamenteelen aard is een palmetten-fries van alabast, ingelegd met blauw

email, dat waarschijnlijk in de voorhal van het groote megaron tegen de balkkoppen der zoldering was aangebracht. (Afb. 242).

Meetkundige patronen vertoonden de geijkte golflijnen en, tot een samenhangend netwerk vereenigde spiralen, gelijk die ook elders, o.a. te Orchomenos, werden