Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROMEINSCHE BOUWKUNST.

455

ligt op eenigen afstand van de stad, en staat doorgaans bekend onder den naam van Pont du Gard, naar de rivier de Gardon, (vroeger Gard) die zij overspant. (Afb. 475 en 476).

Deze aquaeduct bestaat uit drie arkaden boven elkander. De spanwijdte der bogen in de twee onderste verdiepingen is gelijk; in beide deze verdiepingen is de spanning der bogen boven de rivierbedding grooter dan die der overige. Zeer aanmerkelijk verschilt echter de bovenste arkade van de beide andere. De oudste verdieping telt op eene lengte van 142,2 M. zes openingen; de daaropvolgende overspant, met elf openingen, 242,3 M.; de bovenste arkade eindelijk, die de bovenranden der vallei vereenigde, was oorspronkelijk uit 35 kleinere openingen samengesteld, die gezamenlijk eene lengte van 261,5 M. besloegen, en het waterkanaal ter hoogte van niet minder dan 59 M. boven het dal wegleidden. Daarbij bedraagt de breedte van de aquaeduct niet meer dan 4 M.! Om het behoud van het ranke bouwwerk te verzekeren, werd in 1700 tegen de onderste arkaden een brug als steun aangebouwd.

De spanning der bogen van de beide onderste verdiepingen bedraagt, met de reeds vermelde uitzondering, ongeveer 13 M; die van verdiepingen 4,5 M. bij 3.9 M. hoogte. De steenen zijn ruw behakt en droog op elkander gestapeld. De cilindergewelven der onderste arkade zijn uit vier, die van de tweede verdieping uit drie afzonderlijk over elkander geplaatste bogen samengesteld. Het waterkanaal beeft 1,35 M. breedte bij 1,60 M. hoogte, en is met groote steenplaten afgedekt, die wederzijds ± 0.30 M. uitsteken. De bodem bestaat uit een mengsel van cementmortel en grint, de wanden zijn met mortel bepleisterd, en met een roode, ijzeroxydhoudende verf bestreken.

Aan dergelijke grootsche ondernemingen van openbaar nut besteedden de Romeinen, gedurende de republiek bijna uitsluitend, en ook tijdens het keizerrijk nog met groote ingenomenheid, hun kracht. Men treft hare indrukwekkende bouwvallen nog in alle deelen des rijks aan. Een der machtigste is die te Segovia in Spanje (Afb. 477). Zij openbaren, bij de grieksche monumenten vergeleken, duidelijk het grondig verschil van karakter dat tusschen beide volken bestond. En wanneer men nagaat, hoe het romeinsche volk zich beijverde, om, door het aanleggen van straatwegen, bruggen, waterleidingen en andere openbare werken, de welvaart der provinciën te bevorderen, dan gevoelt men zich eenigszins verzoend met het strengmilitaire romeinsche bestuurs-stelsel, vooral wanneer men bedenkt, dat het veelal soldaten waren, aan wie de uitvoering van deze werken werd opgedragen. Krijgshafte ernst en eenvoud zijn dan ook uit deze gebouwen te lezen.

Alleen in de nabijheid der stad verliezen de aquaeducten soms hun strengsober karakter en waar ze straten kruisen, veranderen de arkaden in statige poortgebouwen. Een merkwaardig voorbeeld hiervan biedt te Rome de Porta maggiore aan, door keizer Claudius 49 n. Chr. voor twee door hem aangelegde waterleidingen, de Aqua Claudia en de Anio novus gesticht. Het kolossale monument — dat later in de aureliaansche stadsomwalling werd opgenomen — diende om de kanalen der beide vereenigde waterleidingen over twee straten tegelijk heen te leiden (Afb. 478 en 479). Voor elk der beide straatwegen, die in de nabijheid hunner splitsing de waterleidingen kruisen, bestaat eene groote overwelfde hoogpoort, 6,3 M. wijd, en niet minder dan 14 M. hoog. Bovendien bevond zich een kleinere doorgang — 5,1 M. hoog en 1,8 M. breed — in den pijler tusschen de beide poorten. De beide hoekpenanten zoowel als de middenpijler zijn voorts met rijzige boogvensters doorbroken, verrijkt met kleine tempelvormige omlijstingen in halfverheven werk versierd. Deze bestaan uit hooge plinten, waarboven korinthische halfzuilen verrijzen, die een fraai hoofdgestel met fronton dragen. De schachten der halfzuilen zijn, evenals het geheele monument, uit rustieke blokken opgetrokken.

Op den aldus samengestelden onderbouw rust de zware, massieve bovenbouw, bestaande uit drie bijna gelijkvormige zoogenaamde attieken. (Het woord Attica, of attiek, beteekent oorspronkelijk eene lage of halve verdieping, die boven eene hooge of hoofdverdieping geplaatst is, en wordt meer uitsluitend gebruikt voor een boven de kroonlijst van een gebouw opgaanden muur of balustrade, dienende om

Sluiten