is toegevoegd aan je favorieten.

De eerste schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië onder Cornelis de Houtman, 1595-1597

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i8o

die wy alle aen backboort lieten ligghen 20), ende liepen zuyden aen naer de straet van Ballabuan, om by zuyden ende achter lava om nae huijs te loopen, naedemael ons by noorden de wint noch saisoen niet dienen en wilde, ende saghen ter selver tijt het hooge vaste landt van lava seer berghachtich, zijnde ontrent 4. mylen daer van, was thooge landt, ligghende boven Panarucan, derhalven recht na de wal zuydtwest toe liepen.

De Pinas den 17. dito, inden morghen stont voor uyt zijnde heeft januarij 17 een schoot gheschoten, dies wy alle verschrickt zijn gheweest, vreede pTn^op sende eenich ongheluck hen overcomen soude moghen wesen, ende een ciippe. veej te meer het heel doncker was, wisten niet waer dat wy hem souden soecken, want wy zijn vier niet sien conden, dies hy noch eens gheschoten heeft, ende zyne schuyte nae ons toe ghesonden die om assistentie quam om hem van de clippen te helpen daer hy op sat 27), dies wy hem volck ghesonden hebben, die een werp ancker uyt brengende hem vande grondt wonden, ende nae veel moeyten int vlot ghecreghen. Des morghens hebben wy ghesien den branbrandende dende bergh die boven Panarucan leyt28), ende eerst over 10. jaeren vengpana- °Pen gheborsten is met groote schade ende verlies van menschen, hy

ruca. 26) Beoosten Madoera ligt het vrij kleine Gili Ijang (d.i. Gili Hyang, het „Goden-eiland"),

met verscheiden riffen. De schepen gingen dus tusschen Madoera en Gili ljangdoor, en daarna Z. Z. O. op. — Het „hooge vaste landt van lava seerberghactich", daarna vermeld als gezien op de vaart van Gili Ijang naar Meinderts-droogte, is niet het massief van 't tot 3087 M. stijgend Hyang-gebergte (d.i. „Goden'-gebergte), met den Goenoeng Ringgit (d.i. „Hakkel-berg") op den voorgrond, 1249 M. hoog; maar „thooge landt, ligghende boven Panarucan", d.i. het machtige Idjen-massief (van Jav. idji = enkel; dus „Alleenstaand Gebergte"), dat van ca. 2000 M. in 't N.O. tot 3000 M. in het Z.W. oploopt (Goenoeng Soekët, 2948 M.), en dan Z.W. daarvan den vulkaantop Raoen (3330 M.) heeft; die echter nu nog achter het Idjen-massief bedekt bleef, maar den volgenden dag zichtbaar zou worden; zie noot 28.

Het eenigszins enigmatische „zijnde ontrent 4. mylen daer van", dus ca. 30 K.M. (verg. Cap. 1, noot 2), moet gelezen als: „zijnde wy ontrent 4. mylen daer van", zoodat ze op i6Jan. 1597 naar eigen ruwe schatting 4 zeemijl uit den wal lagen; ongeveer recht N. van Oedjoeng Djangkar („Anker-Hoek"), en N. N. W.van Meinderts-droogte, waar de vooruitzeilende Pinas den volgenden ochtend zou stranden. Stroom en wind zett'en hen steeds om de Oost.

27) Bij Karang Mas („het Gulden Rif"), of Meinderts-droogte, 70 40' Z.B.

28) Hier dus, tusschen Meinderts-droogte en Java's vasten wal (ongeveer Oedjoeng Loemoet, de „Wier-kaap"), zag men dan in den morgen van 17 Jan. 1597 — wanneer Java's berggezichten het helderst zijn, vooral nu in den Westmoesson! — den rookenden vulkaan van den Raoen achter het Idjen-massief te voorschijn treden ; men kan, met de kaart voor zich, precies zelfs zeggen hoe: tusschen de inzinking dóór, die aan den N.O.-wal van het Idjen-plateau bestaat tusschen het Këndëng-gebergte en den Koekoesan-top (d.i. dus dóór de vallei der rivier Banjoe-poetih), dan over de heele Idjen-hoogvlakte heen, en dan even links van den straks in noot 26 genoemden top van den Goenoeng Soekët (den „Gras-berg"; in tegenstelling zoo genoemd tot den vulkaantop van den Raoen). De Raoen, Madoer. Raohg, 3330 M., is als Boekit Mëkëndit of „Geringde Top" befaamd onder de Javanen, als o.a. „gevaarlijk voor kraamvrouwen" (V.d. Tuuk, Kawi-Balin. Ned. Wdb., 1 (1897), p. 692, en II (1899), p. 23); d.w.z. onheilstichtend voor menschen. En zie nu volgende noot.