is toegevoegd aan je favorieten.

De eerste schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië onder Cornelis de Houtman, 1595-1597

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i8ï

wirp eenen seer grooten donckeren roock uyt 2Q). Oock noch eenen grooten bergh die Siërra do Pagode oft Pracada 3°) ghenaemt wordt om eenen groote Pagode oft Heydenschen tempel, die daer op staet,

29) Hier wordt dus met andere woorden gezegd wat ook reeds in Cap. 19 (p. 100) staat: „Boven oft achter Panaruca light eenen grooten brandende Swavel-bergh, die eerst int jaer 86. opgheborsten is, enz." Toch is dat jaar 1586, en de hierboven vermelde „over [= voor] 10 jaeren" fout; er moet gelezen: 1593; en 3 jaar voor 10. Het eerste blijkt afdoend uit Godinho de Eredia's „Informacao da Aurea Chersoneso", ongedateerd, maar blijkens innerlijke gegevens in 1599 te Malaka geschreven, en pas in 1807 door A. L. Caminha (helaas zeer slordig) te Lissabon uitgegeven. Deze geeft 1393 als datum van die vernielende uitbarsting van „de Bergen van Panaroekan" („os Gunos de Panaruca", 1. c. p. 113—114), versta: van den Raoen ; immers achter het Idjen-plateau, en zoo te zeggen geheel zichtbaar Z. ten O. achter Panaroekan liggend. Bedoelde plaats is reeds afdoend behandeld door Prof. Dr. A. Wichmann in 1900 (Zeitschr. d. D. Geol. Ges., LII, p. 640—660), maar met de totaal foutieve opvatting dat onder deze „Bergen van Panaroekan" (= Raoen-Idjen), de slechts 1249 hooge gehakkelde lava-berg Ringgit beW. Panaroekan bedoeld zou zijn. — Maar hoe kan nu Lodewycksz' grove fout 10 voor 3 ontstaan zijn? Als volgt. Op 21 Jan. (zie den hoofdtekst) kwam „een Salve van eenen Munninck die in Panaruca den Christenen predicte ende de Javanen doopte" bij hen aan boord, toen zij lagen bij kaap Sëdano; dit was van de Port. Capucijner-missie, sinds 1580 te Panaroekan gevestigd (zie daarover de noot 41 hierachter). Deze Port. slaaf, van alles vertellend, vertelde natuurlijk ook van de Panaroekan-katastrofe, „drie" (Port. tres, spr. treesj) jaar geleden; door de Hollanders verstaan als „tien" (Port. dez, spr. deesj). Zóó kwam deze fout in Lodewycksz' Journaal, en werd bij het in 't eind van '597 en begin 1598 te Amsterdam in mekaar zetten der beschrijvende Capittels 19-37, in Gap. 19 bestendigd door aftelling: 1596 — 10 = „int jaer 86.". Dat de geweldige asch-uitbarsting van 1593 niet uit den (lava-harden) Ringgit, maar uit den (asch- en vuur-spuwenden) "Raoen te voorschijn is gekomen, heeft overigens in 1902 J. F. Niermeyer reeds, contra Prof. Wichmann, overtuigend nader verdedigd, op het voetspoor van Stöhr (1864) en Verbeek (1896), in zijn art. „De uitbarsting van 1593: Raoen of Ringgit?" in Tijdschr. Aardr. Gen. z' Ser., XIX, p. 171—174. Alleen noot 2 op p. 171 in dat artikel is allerzonderlingst, en het toppunt van verwarring. Verg. voorts noot 46; en vooral Cap. 41, noot 7. — De tegenwoordige naam „Raoen" kan zéér wel een verwording zijn van Oudjav. Rdwana, en beteekent dan „de Boeman"; eene verklaring, welke Dr. N.J. Krom naar pers. meded. aannemelijk acht.

30) Het aan Java's N.O.-hoek in zee uitstekend Baloeran-of Boeloeran-gebergte (het „Ribbel"-gebergte, dus reeds vanouds een sterk geërodeerde krater) met vooraan naar zee 'n t N.O. een top van 940 M. (de Goenoeng Klosod of „Aanliggende Berg"). De „Siërra do Pagode" in Sp.-Port. (beter Port.: Serra do Pagode) of „Siërra Pracada" (lees ten rechte: Serra da Pracada) op de landverkenning van p. 182 hierachter, of „Bergrug van den TemPel , dankte dien naam gewis aan het feit dat eene „Pagode" (Oudport. vervorming wel van Skr. Bhagawall = Doerga = Doerga-tempel = Graftempel; verg. Yule and Burnell, Hobson-Jobson i. v.) of eene „Pra9ada" (Oudport. vervorming van Mal.përsada, Oudjav. P> asdda, jong-Jav. prastidd = Hindoe-Jav. tempel; van 't Sanskr.) zich daar verhief, èn als

eiligdom èn als baken bij zee; als een antieke Lichttoren-zonder-Licht dus. Het moet dan een hóoge graftempel zijn geweest, in den trant van Tjandi Djaboeng, beO. Kraksaün, wat

e Maleiers nu nog een pautjapërsada of „Vijf-toren" noemen. Waar was de juiste plaats van dezen „Baak-tempel", en van het daarnaar geheeten „stedeken"? Misschien daar, waar nu de hoogte „Mësigit" nog ligt, d.i. tusschen T. Mërak en T. Sëdano. De zuidelijke hoek

ie thans nog T. Tjandi Bang (of „Roode-Tempel-Hoek", dus Kaap Baksteentempel) heet, is vermoedelijk een andere, tweede Baak-tempel geweest op dezen N.O. hoek van Java. De eerste moet gediend hebben voor de Molukkenvaarders, die beN. Bali voorbijgingen; de tweede voor die inlandsche schepen, welke Straat Bali invoeren of uitkwamen.