is toegevoegd aan uw favorieten.

De opvoedkundige denkbeelden van Betje Wolff en Aagje Deken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77

was van een verontrustende slechtheid. De hele methode was: van-buiten-leren, zonder begrijpen, in de school ieder op zijn eigen houtje, zonder enig klassikaal verband1; de resultaten waren dan ook gelijk nul, na jaren schoolgaan, zoals ook Van der Ende in het reeds genoemde Handboek vaststelt °). Wij geven hier nog plaats aan een caricatuur uit een ander deel van De Menschenvriend dan waaruit wij boven citeerden3: een jong idealisties onderwijzer komt op een dorpsschool en begint te onderzoeken, wat de kinderen zo al kennen: Ond. „Frans, weet gy den eersten grondregel van den godsdienst wel?"

F. „Neen, myn Heer, dezen weet ik niet, maar wel myne Catechismus."

Ond. „Frans, weet gy wel, welke taal gy spreekt?" F. „O ja, — Nederduitsch."

Ond. „Zeg my eens, Frans, is de Catechismus ook Nederduitsch?" F. „Dat weet ik niet."

Ond. „Dat moet gy weten; gy spreekt Nederduitsch, en verstaat Nederduitsch en wanneer de Catechismus Nederduitsch is, zult gy hem ook verstaan". F. „Ha, nu begryp ik het, dan is hy geen Nederduitsch; — want ofschoon ik hem geheel van buiten ken, zoo versta ik er geen woord van — ik vraag het myn vader wel eens — Maar die weet het zoo min als ik, en de Dominee legt het ons niet uit". Dit is wel een zeer scherpe krietiek op de methode bij het godsdienstonderwijs, en ... al is het catechisatieonderwijs, wat de methode betreft, altijd ten achter bij het schoolonderwijs, toch gold deze krietiek in onverminderde scherpte ook voor het gewone

°) Op de kleine-kinderscholen en de lees- en schrijfscholen leert men niets; op de Franse scholen slecht Frans en wat wellevendheid; op de kostscholen burgerlike manieren, modes en dansen, aldus ongeveer klaagt Van Hamelsveld, a. w. 215, 217. Op uiteriike manieren was men zeer gesteld; de kinderen, die elkaar met u aanspraken, leerden onbegrepen complimenten uit het hoofd; de onkinderlikheid is misschien wel voor een goed deel hieraan toe te schrijven, dat een stervende cultuur dikwels de schijn zoekt te bewaren in een dode vormendienst.

1 De Vaderlander, I, 245. 2 a. w. 11, 332.