is toegevoegd aan je favorieten.

De opvoedkundige denkbeelden van Betje Wolff en Aagje Deken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

299

La Bruyère, of Karakters en Zeden der Kinderen onzes Tijds. Dit werk is opgesteld, om in de opvoeding van kinderen van twaalf of dertienjaaren gebruikt te worden, uitgenomen de tien laatste hoofddeelen, die geschikt zijn voor lieden van de groote waereld, door Mevrouw De Genlis "). Alweer dus een boek voor kinderen èn ouderen tegelijk, "deriektuur? Dit boekje is naast vele andere, merkwaardig om ons een denkbeeld te geven van de toenmalige beschouwing der kinderziel. Mme de Genlis, die het werkje opdroeg aan haar „waarde kleinzoon Anatole de la Woëstyne", bedoelde er mee voor kinderen te geven, wat La Bruyère in zijn Caractères de volwassenen had voorgezet. In de „Toeëigeningsbrief" vöör de vertaling „aan „mijnen negenjaarigen vriend Floris Adriaan Van Hall"6) zegt Betje Wolff van de later zo beroemde staatsman, dat ze van hem „veel, zeer veel wagt"; dat hij, als hij alles doet, wat ze hem op 't hart bindt, later „niet alleen beroemd, maar, en dat „zegt wat meer — nuttig kan zijn" 1 en zij vraagt aan hem „meld „mij hoe u het boek, waarvan ik u de vertaling toeëigen, gevalt" 2. Het eerstaangehaalde getuigt haast van een profetiese blik, als zag zij in de 9-jarige dreumes de „redder des vaderlands uit „den financieelen nood", de toekomstige Minister, Kabinetsformateur enz.; de twede aanhaling doet ons verzuchten: hadden we maar eens zo'n oordeelvelling van een normaal kind! dat zou ons beter inzicht geven in de kinderziel dan al het geschrijf en getheoretiseer van de 18e-eeuwse opvoeders c). Mme de Genlis

a) De tietel van de twede druk (de vertaling beleefde een twede druk!) is minder wijdlopig.

6) Aan de vertaling gaan vooraf de „Opdragt aan mijnen kleinzoon" door Mme de Genlis; de „Voorrede" van deze; het „Bericht der Vertaalster" en de genoemde „Toeëigeningsbrief" van Betje Wolff.

c) Bij voortgaand onderzoek zullen ze misschien wel bekend worden, de échte meningen der jongeren: over een heel beroemd boek uit het begin der 19e eeuw, Kleine Plichten, Een oorspronkelijke zedelijke voorstelling in brieven, van Mejuffrouw de Neufville, A'dam 1824—1827, schrijft Mevrouw Bosboom-Toussaint in herinnering aan haar jeugd: „Ik slikte ze als medicijnen, die walgelijk zoet zijn; toen kreeg men medelijden, en . . . ." (Dr. J. Dyserinck, A. L. G. Bosboom-Toussaint, Levens- en Karakterschets, 15).

1 a. w. xvii. 2 a. w. xviii.