is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77

de waarde zijner vondsten te overschatten en met het gewichtigste gezicht spreken van dingen, die nu wel niet volstrekt waardeloos zijn, omdat alles voor den geschiedschrijver minder of meer waarde heeft, maar toch over dingen, waarvan hij de waarde meer afmeet naar de zeldzaamheid of de moeite, die het hem gekost heeft, ze te vinden, dan naar de beteekenis, die zij hebben voor het geheel der geschiedwetenschap. Die gewichtige gezichten vormen dan een zoo komiek contrast met de betrekkelijke onbelangrijkheid der medegedeelde feiten, of wekken zulk eene teleurstelhng bij al wie er zich door laten verleiden hunne verwachting te hoog te spannen, dat de geschiedvorscher, die gewichtig doet, het aan zich zelf te wijten heeft, wanneer hij voor zijn werk niet dien dank inoogst, waarop hij recht heeft, en niet die waardeering vindt, die hem toekomt.

Tot het gebied van den geschiedvorscher behoort in de eerste plaats de bibliologie en bibliographie of boekenkunde en boekbeschrijving »), en tot op zekere hoogte de daarmee nauw verwante diplomatiek en palaeographie of handschriftenkennis.

Van de handschriften, waarin onze oudere litteratuur uitsluitend is overgeleverd, maar die toch ook voor lateren tijd (vooral in den vorm van brieven) van waarde zijn, moet uit allerlei eigenaardigheden van het schrift, tot uit de hniëering (met lood, bruinsteen of gekleurden inkt) en de rubriceering (om nu van de miniaturen nog niet eens. te spreken), tot uit de indeeling in kolommen en samenbinding der quaternen, en vervolgens ook uit den aard van het perkament en papier en uit de papier- of watermerken 2) worden opgemaakt, uit welken tijd zij dagteekenen, vanwaar zij herkomstig zijn, zoo mogelijk ook wié ze geschreven of overgeschreven heeft, wie er de dichter of auteur van was. De chronologie toch is de ruggegraat der geschiedenis en de omgeving, waarin een geschrift ontstond, levert belangrijke bijdragen ter verklaring van vorm en inhoud. Bij het vaststellen van jaar en datum is kennis van den

') Het orgaan dezer .wetenschap is bij ons op het oogenblik het „Tijdschrift voor Boek- en Bibliotheekwezen", dat van 1903 tot 1911 geregeld verscheen en in 1912 onder den titel „Het Boek" eene nieuwe reeks begon onder redactie van C. P. Burger Jr., B. Kruitwagen en W. de Vreese. Daarnaast bestaat ook nog sedert 1916 een meer populair tijdschrift „Bibliotheekleven".

a) Daarvoor zie men J. H. de Stoppelaar, Het papier in de Nederlanden gedurende de middeleeuwen in het Archief uitg. door het Zeeuwsch Genootschap, II, 1866 — 69.