is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.103

vulsels der operiingen kunnen het ontbrekende toch niet geheel en al vervangen. Het recht evenwel, dat de beoefenaar van iedere wetenschap voor zich eischt, om door hypothesen de gapingen in het weten aan te vullen, heeft ook de geschiedbeoefenaar, maar hij moet ze ook als zoodanig en niet als waarheid verkondigen. Natuurlijk zal het element van twijfel, dat in iedere hypothese ligt opgesloten, het onmiddellijke van den indruk verzwakken, dien de geschiedschrijver met zijn geschiedbeeld wenscht te geven; maar hij mag zich dan troosten met de gedachte, dat zijne lezers van hem niet uitsluitend kunstgenot, maar in de eerste plaats toch uitbreiding van hunne kennis en waarheid verlangen en eene goede hypothese in elk geval eene uiting van waarheidszin is.

De eisch der levendigheid van voorstelling is van den anderen kant eene verontschuldiging voor den geschiedschrijver der letteren, wanneer hij zich niet al te gestreng blijft houden binnen de grenzen van zijne stof. De kunstwerken zijn niet uitsluitend voortbrengselen van aesthetische gemoedsbewegingen, de kunstenaars zijn niet alleen de verhchaming van artistieke neigingen, en moest de geschiedschrijver zich dus bepalen tot de geschiedenis van het zuiver aesthetische, dan zou hij verphcht zijn, de historische ontwikkeling te geven van abstracte begrippen, die als zoodanig nooit werkelijkheid zijn geweest. Vandaar dan, dat hij allicht meer zal meedeelen, dan voor de kennis der aesthetische ontwikkeling strikt noodzakelijk is, en men mag dat alleen betreuren, als hij daarin geene maat heeft weten te houden.

Maathouden trouwens is de groote kunst van het leven, en maathouden vindt, bij het betrekkehjke van alle maat, zijn steunpunt wel vooral in harmonie en symmetrie. Ook dat weer zijn kunsttermen, die evenzeer op de gescMedschrijfkunst van toepassing zijn. Van een geschiedwerk verlangt men, dat het een harmonisch geheel zij, eene eenheid, ondanks de groote verscheidenheid van hetgeen er in behandeld wordt: geen bont kleurenmengelmoes, zelfs niet in symmetrischen vorm vermenigvuldigd, zooals bij den kaleidoscoop, maar eene schakeering van geleidehjk in elkaar overvloeiende kleuren of eene gelijkmatige afwisseling van schitterende, ook met elkaar contrasteerende, kleurvlammen en zachter tinten.

De evenredigheid der deelen vereischt, dat de geschiedschrijver zich niet laat verleiden tot grootere uitvoerigheid, alleen omdat hij toevallig meer stof tot zijne beschikking heeft dan bij hetgeen