Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

470

Dat Maerlant de taal der liefde verstond en zich gaarne op het gebied der galanterie bewoog, blijkt weliswaar duidelijk uit zijne eerste werken, maar zonder dat daaruit eenigszins valt op te maken, of hij ook zelf in de strikken der liefde verward is geweest. In den Torec vinden wij een minnebrief1), in de bewoordingen der hoofsche lyriek gericht tot Miraude, wier hefde den held van den roman gelukkig maakte en hem tevens onverschilhg deed zijn voor de wel wat al te onstuimige genegenheid, die de schoone Mabilie voor hem had opgevat, en waardoor zij het hem uiterst lastig maakte. Torec vraagt zich daarom in dien roman af, hoe het mogehjk kon zijn, dat dezelfde hefde, „daer die werelt al bi staet ende die alle hovescheit wiset", tegehjk zoo tiranniek kon wezen om jonkvrouwen van het pad der wellevendheid en ingetogenheid af te brengen *).

Vraagpunten, zooals dit, vielen bij Maerlant bijzonder in den smaak, gehjk verder ook bhjkt uit de redewisseling in „die camere van wijsheiden" 8), waar de quaestie wordt behandeld, welke liefde te verkiezen is, die van jonkvrouwen of die van gehuwde vrouwen4), eene quaestie trouwens, die uitsluitend door wereldhngen en dan nog wel alleen in den bloeitijd van den ridderhjken liefdedienst kon gesteld worden. Wie gaarne over de hefde redeneert en belang stelt in de fijnheden der galanterie, vervalt allicht tot eene zekere minachting van het vrouwehjk geslacht, zooals de Bose, het middeleeuwsch leerboek der galanterie bij uitnemendheid, bewijst. Geen wonder dan ook, dat Maerlant niet aarzelde het Gauthier de Chastillon na te zeggen: „wive sijn wandelre dan die wint ende nieloper dan een kint ende wreder dan enich tirant ende harder dan een adamant" 5) en geene aanleiding vond om uit de Historie van Troyen Benoit's uitvoerige klacht over de ongestadigheid der vrouwen weg te laten, al meende hij er dan ook nog zelf opzettehjk te moeten bijvoegen, dat hij gaarne allen vrouwen hare wuftheid vergaf ter wille van Maria, de bron van alle deugden 6), die hij in den Merlijn reeds als advocaat der menschen had voorgesteld 7).

"■) Torec vs. 3227-3266.

•*) Torec vs. 939-999 en 1224-1286. De zonderlinge gevolgtrekking, die Jonckbloet, Geschiedenis der Ned. Lett. II bl. 56, hieruit maakt ten opzichte van Maerlant's eigen levensgeschiedenis, zou ons bijna doen vermoeden, dat hij Miraude en Mabilie met elkaar verward heeft.

3) Zie boven, bl. 310.

«) Torec vs. 2532-2591.

6) Alexander vs. 563—566.

•) Hist. van Troyen vs. 16046 — 16117.

») Zie boven, bl. 277.

Sluiten