Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

488

de fraaie letteren en zouden alleen gewis niet in staat zijn Maerlant tot den eersten dichter onzer middeleeuwsche letterkunde te maken. De verdiensten, die zij op het gebied van taalvorming, stijl en versbouw bezitten, en die hoofdzakelijk te waardeeren zijn, omdat Maerlant daar grootendeels onderwerpen behandelde, die vóór hem nog ter nauwernood in het Nederlandsch onder woorden gebracht waren, zijn alleen niet voldoende om ze tot meesterwerken op het gebied der poëzie te stempelen. Ik ga zelfs verder en erken gaarne, dat men, in die werken bladerend, maar zelden iets zal aantreffen, wat den naam van poëzie verdient. En toch, heeft men den moed gehad ze alle binnen een niet al te lang tijdsverloop in hun geheel door te lezen, en daarbij verbeelding genoeg, om zich in den aard van Maerlant's werkzaamheid in verband tot zijn tijd te verplaatsen, dan verbaast men er zich niet langer over, dat de dichter van het hed Van den Lande van Oversee ook een Spiegel Historiael, ja zelfs een werk als Der Naturen Bloeme kon schrijven, dan voelt men overal het tintelen van denzelfden gloed, maar door een machtigen geest in toom gehouden, dan is het niet meer in de eerste plaats de geleerde, dien men in Maerlant ziet, de eenvoudige verteller van geschiedkundige feiten, die met een streng logisch verstand alles órdent en schift; maar dan klinkt ons zelfs uit de meest prozaïsche woorden de stem van den dichter tegen, wiens hart zich uitstortte in zijn werk, die niet alleen zijne partes kende, maar ook door geestdrift voor het ideëele, voor waarheid en deugd bovenal, was bezield. De vorm moge prozaïsch zijn, artistiek opgevat, zooals de inhoud van een deel zijner strophische gedichten, moge de inhoud dezer leerdichten geenszins zijn, wie oog heeft voor poëzie, ook al ligt zij verscholen onder een weinig dichterlijken vorm, wordt er, naarmate hij meer met Maerlant's werken vertrouwd raakt, meer en meer van doordrongen, dat zij de gewrochten van een waarachtig dichter zijn, wiens „verbeelding" door waarheidsliefde wordt belemmerd eene hooge vlucht te nemen, maar die de beide andere eigenschappen, welke Da Costa in den dichter vordert, „gevoel en heldenmoed" in hooge mate bezit. Dat was het ook juist wat Boendale en anderen in hem bewonderden: heldenmoed, die hein dreef de waarheid te zeggen en niets dan de waarheid, en onafhankehjkheïd, die hem het tegenbeeld maakte van den alleen uit eer- en gewinzucht dichtenden menestreel. Maerlant was dichter van nature; van hem kon gezegd worden, wat Boendale van den

Sluiten