Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

497

goed bekend, niet alleen met de romantische, zooals Merlijn en Torec, maar ook met de didactische, zooals Spiegel Historiael en Der Naturen Bloeme 1). Toch prijst hij Maerlant nergens, en dat is ook geen wonder, want een geestverwant was hij over het algemeen niet van hem. De opkomende burgerij, de nijvere handelsstand van Antwerpen behoort niet tot zijne vrienden en hij berispt de „onselege comenscap", omdat zij niets ontziet als er maar geld mee te verdienen valt. Hij vindt, dat de „stede nu al te rike sijn" 2). Voor een geestelijke is hij ook veel te wereldsgezind. Zoo komt hij er zeer naïef zelf voor uit, dat hij met innerlijk welgevallen gelezen heeft, hoe de dames van Pisa den ridder van Hendrik VII niets ontzeiden „wat dat hen die ridders baden". Hij meent, dat iemand, die „goeder nature" is, „er doch yet af soude verbhden, hordi spreken dusdaen maer" 3). Elders berispt hij de Italiaansche „ridders van der minne", dat zij zoo slecht den eed hielden, gezworen aan de schoonen, welke hun als loon hare liefde hadden beloofd, en zegt dan, dat hij zelf in dat geval wel anders zou gehandeld hebben en, indien hij „een ridder ware, die hem des hadde vermeten", het zeker, „om te bliven in haer minnen ende selke vrouwe daermet gewinnen, dor hare had geaventuert wat er hem af comen waer, al had der sijn leven an gestaen"4). Door zulk een geestehjke moet ridderbloed hebben gevloeid, en misschien mogen wij, als hij zich bij voorkeur „Her Lodewijc van Velthem" noemt 5), daaruit afleiden dat hij zich heeft willen doen kennen als een jongeren zoon uit het adellijk geslacht der heeren van Velthem bij Leuven, in welk geBlacht de voornaam Lodewijk zeer dikwijls voorkwam6).

In elk geval was Velthem een Brabander7) en in 1293 of 1294

l) Hij noemt Liber Rerum als een werk van Albertus Magnus en zegt dan: „daers een Dietse af gemaect, dat Jacop van Maerlant dichte", Sp. Hist. V1 20 vs. 10-24.

a) Sp. Hist. V" 28 vs. 23—34.

') Sp. Hist. Vs 24 vs. 28—61.

4) Sp. Hist. V6 46.

6) Merlijn vs. 10418, Sp. Hist. IV» 51 vs. 52, V8 35 vs. 35. De laatste plaats, waar hij zich den schrijver der vijfde partie noemt, is blijkbaar corrupt, want men moet Jonckbloet tegenover De Vries toestemmen, dat liete weten niet kan beteekenen wiste. In vs. 34 kan men met Jonckbloet ghi invoegen vóór selc; doch ik geloof, dat de plaats beter en eenvoudiger geëmendeerd kan worden door Alse in vs. 35 te veranderen in Hem, en selc persone te vertalen met: de een of ander.

•) Zie over het geslacht Van Velthem en over onzen dichter in 't bijzonder vooral W. J. A. Jonckbloet, Inl. op de uitg. van den Roman van Lancelot I ('s-Grav. 1846) bl. XXXIV—LVII en M. de Vries en E. Verwijs, Inl. op Maerlant's Spiegel Historiael, bl. LXXVII — LXXXII.

') Sp. Hist. V* 25 vs. 20 zegt hij; „Al ben ic van Brabant."

Tb Winkel I. 32

Sluiten