Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van minderjarigheid en voogdij

501

geschiedt. En zelfs dan is zijn koop niet van waarde (1) dan na goedkeuring des kantonrechters, die voor het verleenen zijner goedkeuring gebonden is aan het in acht nemen derzelfde voorwaarden, onder welke hij volgens art. 454 den onderhandschen verkoop van een onroerend goed mag toestaan; art. 457.

IV. Evenmin als de voogd de onroerende goederen van den minderjarige mag koopen dan op den in art. 457 aangewezen weg, evenmin mag hij ze huren of pachten (2), dan nadat de voorwaarden van huur of pacht door den kantonrechter zijn goedgekeurd. Hier, waar het om een geringer zaak dan het verkoopen te doen is, heeft de wetgever, toen hij daar nog de goedkeuring der rechtbank vorderde, die van den kantonrechter voldoende geacht.

De kantonrechter mag die goedkeuring niet verleenen, dan na verhoor van de betrekkingen van den minderjarige en van den toezienden voogd.

Heeft hij ze eens verleend, dan moet de overeenkomst zelve door den voogd, als huurder of pachter, met den toezienden voogd, als verhuurder of verpachter, gesloten worden; art. 458 § 1.

V. De voogd mag zonder diezelfde goedkeuring van den kantonrechter, wier verleenen aan gelijke voorwaarden onderworpen is, geen opdracht aannemen van rechten of schuldvorderingen tegen zijn pupil; art. 458 § 2.

Wat de wetgever met deze bepaling heeft willen verbieden, daarover bestaat veel verschil van gevoelen. Het woord opdracht schijnt in ieder geval niet ondubbelzinnig

(1) [De Hooge Raad (21 Jan 1881, W. 5496) beschouwde den koop, die niet overeenkomstig de gestelde voorwaarden heeft plaats gevonden, als absoluut nietig. Zie over deze vraag beneden bl. 503 n. 1.]

(2) Voor zich zeiven, voegt art. 458 er zeer vreemd bij, als mocht hij het wel voor anderen doen, m. a. w. als kon hij te gelijk voor den minderjarige verhuren en voor een derde huren!

Sluiten