is toegevoegd aan uw favorieten.

Werken van J. A. Alberdingk Thijm

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HEILIGE LINIE.

75

en draagt. Maar alles komt aan op den grond- en hoeksteen, „die de twee muren in een huis vereenigt"—en deze hoeksteen in het kerkgebouw, zegt Christopher' Faber omstreeks 1625 nog altoos den ouderen symbolisten na, „beteekent Christum"; die hoeksteen, door David in den dag der vreugde bezongen *), door Isaïas beloofd a), door Petrus verkondigd 3), door Paulus in zijn verhevenste beteekenis geschetst, namelijk als vereenigende in zijnen vrede de Joden en de Heidenen die, gelijk wij boven zagen, door de kerkmuren worden afgebeeld, Hij, „die alles tot een zoude brengen van 'tgeen in de Hemelen en op de aarde is" 5), hij heeft den middelmuur, die Joden en Heidenen scheidde, verbroken 6), en zoo hebben beiden in eenen geest toegang tot den Vader.

Ook dien geest beeldt de christelijke architektuur in de kerkmuren af.

Wat is die geest ? — Het cement, dat de steenen verbindt, werd in het Oosten en in het Westen, volgends Kreuser, voor een zinnebeeld der christelijke liefde gehouden, die de menschen samenvoegt en weêrzijdschen steun geeft 7). De mortel, zegt Durandus 8), bestaat uit kalk, zand, en water.

De eerste is de vurige Liefde; het tweede beteekent de stoffelijke Daden, ten nutte onzer broeders ondernomen; maar het is de Geest (het water 9), die beiden vereenigt en kracht geeft; zoo verbindt de band der Liefde en des Vredes die levende steenen tot een lichaam I0). Maar behalven „het hoofd des hoeks", zijn de grondslagen der kerk nog uit andere deelen samengesteld. „Het fondament, daer die gheheele kerck op rust," zegt Christopher Faber, „beteeckent Christum, die

1) Ps. CXVII, 23. 3) XXVIII, 16. 3) „Act. Ap." IV, M, I Petr., 4—8. 4) „Ephes." II, 17, 30—33. s) „Ephes." I, 10. 6) „Ephes." II, 14.

7) Kreuser haalt aan („Chr. Kirchenb." I, bl. 538) Justin. I, 3 vgl. Vitruv. VIII, 3 en Augustin. „Enarr. in Ps. XXXIX", § 1, XVC § 3, „Contr. Faust." XII, c. 14.

8) T. a. p.

9) Vincentius Bellovacensis, wiens encyklopaedie gedeeltelijk door onzen MaerIant vertaald is, prijst het water, wijl bet, volgends zijne meening, niet in den vloek der aarde heeft gedeeld: „terra a Deo, non aqua maledicta est." „Spec " I, B. XXX, hst. 78. Trouwends Gods Geest had er al op gezweefd „in den beginne". Aldus ook de H. Augustinus; zie Kreuser II, 47.

10) „Col." TH, 14, 15.