is toegevoegd aan je favorieten.

Werken van J. A. Alberdingk Thijm

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DE BEELDHOUWKUNST.

295

element uitmaken. Niet dan bij toenadering kan de geest in het stof zijne volkomene uitdrukking of beeltenis vinden. Voorstellingen, waarin het stoffelijk element het meeste gewicht heeft, zullen dus trouwer door de Beeldhouwkunst (in engeren zin) te-rug-gegeven kunnen worden, dan de zoodanigen, waarin het geestelijk element het stoffelijke krachtig overheerscht.

Een nadere beschouwing van de voortbrengsels der Grieksche en Christelijke Kunst zal dit duidelijk maken.

De Beeldhouwkunst (in engeren zin) moet zich meestal bepalen tot het vormen van enkele figuren. Groepen, uit vele personen en voorwerpen samengesteld, figuren, die eene ingewikkelde handeling ten uitvoer brengen, of die heure verklaring uit eene vaak uitvoerige, of ook verspreide en verdeelde omgeving moeten ontleenen — kunnen door deze Beeldhouwkunst natuurlijk niet worden gewrocht. Even min figuren, wier houding of charakter strijden zoü met de eigenaardigheden van het steen, hout, of metaal, waaruit ze vervaardigd zouden worden; wij bedoelen vooral figuren, waarbij de steun niet mag aangebracht worden, welke de meeste beelden in hunne onderste gedeelten behoeven. Is de Beeldhouwkunst dus door zoo veel stoffelijke zwarigheden belemmerd, dan laat zich hooren, dat zij de voordeden, welke zij boven andere kunsten aanbiedt, niet ongebruikt dient te laten. Tot deze voordeden brengen wij vooral, dat hare werken van alle kanten gezien kunnen worden, en dat dus ieder nieuw profiel, • hetwelk zich in het kunstwerk laat waarnemen wanneer het van een nieuw punt gezien wordt — dat iedere nieuwe lichtplaatsing, welke men er bij aanbrengt — eigenlijk even zoo vele nieuwe kunsttafereelen opleveren. Daar is dus in een Beeldhouwerk een rijkdom van telkens nieuwe effekten, dien de schilderkunst mist. Wat volgt nu hieruit? Dat er van al de deelen des beelds zoo veel mogelijk partij moet getrokken worden; dat de kunst, als zij het menschbeeld zal nascheppen, er op uit zal zijn de deelen diens beelds zoo veel mogdijk zichtbaar te maken. Dit streven nu komt dikwerf in strijd met de Godsdienst- en zedeleer der Christenen, 't Is waar, dat ook geene zedige Grieksche vrouw zich zoü geleend hebben, om voor een naakt beeld te pozeeren; maar 't is