is toegevoegd aan je favorieten.

Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOEKDRUKKUNST.

296

BOEKJE.

Wordt; ...WERKPLAATS, v. (-en), ...WINKEL, tt. (-s).

BOEKDRUKKUNST, v. de kunst van boeken te drukken met losse letters.

BOEKDRUKPERS, r. (-en), pers voor het drukken van boeken.

BOEKEBLOK, o. (-ken), (gew.) blok beukenhout; ...BOOM, m. (-en), Zie BEUK; ...NOOT, v. (...noten), beukenoot.

BOEKEDE, zie BOEKENDEBRIJ.

BOEKEL, m. (-s), haarkrul, inz. in den pruikentijd : eene der kunstmatige, gefriseerde krullen valsoh haar ter weerszijden van het voorhoofd gedragen.

1. BOEKEN, (boekte, heeft geboekt), (een poet, eene rekening) op-, omschrijven; noteeren; — te boek stellen : ik zal er u voor boeken; dit heb ik niet geboekt. BOEKING, v. het boeken.

1. BOEKEN, bn. (gew.) beuken: eene boeken plank; — boeken stoelen, van beukenhout gemaakt.

BOEKEN AFSCHRIJVER, m. (-e), (in de middeleeuwen) afschrijver van handschriften.

BOEKENBEER, m. (...beren), rekening, beer bij den boekhandelaar.

BOEKENLAAN, v. (...lanen), (gew.) beukenlaan; ...BOSCH, o. (...bossohen), (gew.) beukenbosch.

BOEKENCENSUUR, v. onderzoek en beoordeeling der boeken door de kerkelijke of wereldlijke overheid, gewoonlijk aan de uitgave voorafgaande.

BOEKEND, v. (gew.) boekweit.

BOEKENDEBRIJ, v. boekweitebrij; ...FLENSJES, o. mv. flensjes van boekweitemeel; ...GORT, V. boekweitegort; ...GRUTJES, o. mv; ...KOEK, m. (-en), boekweitekoek; ...MEEL, o. boekweitemeel.

BOEKENDRAGER, m. (-8), twee plankjes door een riem verbonden, waartusschen scholieren hunne boeken dragen; ijzeren werktuigje voor hetzelfde doel.

BOEKENGEK m. (-ken), iem. die het koopen van boeken overdrijft.

BOEKENGROND, m. leemaohtlge zandgrond op de Veluwe, voor de teelt van beuken geschikt.

BOEKENHANGER, m. (-8), klein hangend boe-

BOEKENHOUT, o. beukenhout. BOEKENJOOD, m. (...joden), handelaar in oude boeken.

BOEKENKAMER, v. (-8), boekerij; ...KAST, V. (-en); ...KENNER, m. (-s); ...KENNIS, v. kennis van boeken, hetzij van hunne uitwendige geschiedenis, hetzij van hun inhoud, hetzij van beide; uit boeken verkregen kennis, in tegenstelling van levenservaring of vernuft; ...KIST, v. (-en); ...KRAAM, v. (...kramen),boekenstalletje; ...KRAMER, m. (-8), oude-boekenkoopman.

BOEKENLEGGER, m. (-s), versierd of bewerkt stuk papier, linnen enz. om eene plaats in een hoek aan te wijzen, leeswijzer. Boékenleggertje, o. (-8).

BOEKENLIEFHEBBER, m. (-B), ...MINNAAR, m. (-s); ...LIJST, v. (-en); ...LUIS, v. (...luizen), insectje zonder vleugels in boeken voorkomende.

BOEKENMAKEN, o. het schrijven om brood : het boekenmaken heeft geen einde; ...MAKER, m. (-8), vruchtbaar, doch oppervlakkig schrijver, broodsehrij ver; ...MARKT, v. (-en), plaats waar oude boeken ten verkoop liggen; de boekenmarkt is bedorven, het uitgeven en de verkoop van boeken; ...MENSCH, m. (-en), kamergeleerde; ...MOLEN, m. (-s), draaibare boekenstandaard.

BOEKENOL1E, v. olie uit beukenootjes geslagen.

BOEKENPLANK, v. (-en), plank om boeken op te plaatsen in esne boekenkast, een boekenrek of alleen aan den wand bevestigd; alle boeken op eene plank. Boekenplankje, o. (-s), boekendrager.

BOEKENREK, o. (-ken), staand of hangend gestel van zijwanden en planken om boeken op te plaatsen, meestal zonder achterschot. Boekenrekje, o. (-8), ook : boekenhanger.

BOEKENSCHAT, m. (-ten), verzameling van mooie boeken; ...SCHORPIOEN, m. (-en), klein spinachtig diertje in en om vochtige oude boeken veelvuldig voorkomende.

BOEKENSCHRIJVEN, 0. het boekenmaken : van boekenschrijven is geen einde; ...SCHRIJVER, m, (-8); ...SCHRIJVERIJ, v.

BOEKENSTALLETJE, o. (-8), kraampje of gestel van op schragen rustende planken waarop ten verkoop aangeboden boeken (meest oude) liggen; ...STANDAARD, m. (-s), ...STANDER, m. (-8),

standaard, los staand gestel voor boeken; ...STOF, o.; ...STUK, o. (-ken), rechthoekig gebogen ijzeren plaat, dienende om eene rij boeken staande te houden.

BOEKENTAAL, V. (...talen), schrijftaal, in tegenstelling met de levende volkstaal; ...TASCH, v. (...tasschen), tasch waarin schoolkinderen hunne boeken dragen.

BOEKENVERZAMELING, v. (-en); ...VRETER, m. (-s), iem. die altijd over de boeken zit; of die buitensporig veel leest; ...VRIEND, m. (-en), boekenminnaar; ...WIJSHEID, v. wijsheid uit de boeken verkregen; vaak in tegenstelling met practische kennis; ...WORM, ook WURM, m. (-en), iem. die altijd in de boeken zit; inz. iem. die voor de gewone conversatie niets waard is, vgl. boekworm.

BOEKER, m. (-8), BOEKSTER, v. (-8), die iets boekt of geboekt heeft.

BOEKERIG, bn. zooals in de boeken voorkomt: boekerige taal, onnatuurlijke, stijve boekentaal; BOEKERIGHEID, v. vrij van alle frasen en boekerigheid.

BOEKERIJ, v. (-en), boekverzameling, bibliotheek; het boeken.

BOEKET, m. zie BOUQUET.

BOEKGELEERDE, m. (-n), iem. die veel boekenkennis bezit, maar buiten het praotische leven staat. BOEKGELEERDHEID, v.

BOEKGESCHENK, o. (-en), één of meer boeken welke ten geschenke gegeven worden; ...GESUF, o. (w. g.) het suffen in boeken; het voortdurend ijverig studeeren.

BOEKHANDEL, m. het beroep van den boekhandelaar; het bedrijf, de zaak van een boekhandelaar; de gezamenlijke boekhandelaars.

BOEKHANDELAAR, m. (-s), iem. wiens beroep het is boeken te verkoopen of er handel in te drijven. BOEKHANDELAARSBEDIENDE, m. <-n); ...LEERLING, m. (-en); ...VEREENIGING, v. (-en).

BOEKHOUDEN, (hield boek, heeft boekgehouden), stelselmatig alles aanteekenen, wat er in een handel plaats heeft; de koopmansboeken in orde houden; iets in een aanteekenboekje of een register opschrijven; — o. leeraar in het boekhouden; — het dubbel ot Italiaansch boekhouden, boekhouding waarbij alle posten dubbel geboekt worden en zioh uitstrekkende over alle deelen eener bezitting of handelszaak. BOEKHOUDING, v.

BOEKHOUDER, m. (-s), ...HOUDSTER, v. (-s), iem, wiens beroep het is voor een koopman, eene instelling, eene maatschappij enz. boek te houden; bestuurder eener reederij, die de gezamenlijke reeders vertegenwoordigt en het uitvoerend bewind heeft; — leeraar in het boekhouden. BOEKHOUDERSBETREKKING, v. (-en), ...PLAATS, v. (-en), betrekking van boekhouder.

BOEKIG, bn. en bw. (-er, -st), boekachtig, boekerig.

BOEKIT, o. (-s), (Ind.) heuvel : de met donkere wouden begroeide boekits op Sumatra.

BOEKJAAR, o. (kooph.) eene tijdruimte van 12 maanden, waarna de boeken afgesloten worden (niet altijd met het kalenderjaar samenvallende).

BOEKJE, o. (-s), klein boek; inz. boekje waarin de keukenmeid haar voorschotten, of de leveranciers het door hen geleverde opschrijven : het boekje van den kruidenier, den slager; —• iets op hel boekje halen, niet dadelijk betalen; '— iets (eene beleediging b.v.) op zijn boekje schrijven, goed onthouden,zoodat het vergeten noch Vergeven wordt; — zijn boekje opendoen, zijne zaken blootleggen, zijne meening zeggen; (ook) zijne geheimen vertellen; — een boekje van iem. opendoen, uiteendoen, iemands misslagen en gebreken blootleggen, aan den dag brengen, over hem klagen; ■—• het gaat zoo glad (zoo vlot), alsof hij het uit een boekje las, van iem. die gemakkelijk en vlug spreekt; — (Zuidn.) 't boekje kwijt zijn, den draad kwijt zijn, blijven steken; — (ook) niet weten wanneer de bevalling te verwachten is, vgl. den tel kwijt zijn; —

buiten zijn boekje gaan, zijne bevoegdheid te buiten gaan; (ook) spreken over zaken die niet aan de orde zijn, of waarvan men geen verstand heeft; (ook) iets doen waartoe men geen reoht of last beeft; — hij houdt zich aan zijn boekje, volgt angstvallig de voorschriften op; — d*it staat niet in zijn boekje, daarmee bemoeit hij zich niet, daar komt bij hem niets van in; — iem. die maar één boekje